Aanmelden
facebook twitter

Onderzoekers vinden honderden genen die invloed hebben op het tijdstip dat de puberteit begint en die het risico op verschillende soorten kanker veranderen

24/04/2017

De grootste genoomanalyse ooit voor het begin van de puberteit bij jongens en meisjes heeft 389 genetische signalen geïdentificeerd, die samenhangen met de aanvang van de puberteit; vier keer zoveel als voorheen bekend waren.

De studie die 24 april gepubliceerd werd in Nature Genetics is een groot samenwerkingsproject van onderzoekers van de Medical Research Council (MRC) Epidemiology Unit van de University of Cambridge, het Nederlands Tweelingen Register en andere partijen in het internationale ReproGen consortium. De onderzoekers vonden ook dat een vroege aanvang van de puberteit samenhangt met een hoger risico op verschillende soorten kanker die gevoelig zijn voor geslachtshormonen later in het leven, waaronder borst-, eierstok- en baarmoederkanker bij vrouwen en prostaatkanker bij mannen. Deze verbanden bleven te zien na controle van de analyse voor lichaamsgewicht, wat belangrijk is omdat lichaamsgewicht invloed heeft op zowel de aanvang van de puberteit als op het risico voor sommige vormen van kanker.

John Perry, senior onderzoeker bij de MRC Epidemiology Unit van de University of Cambridge:"Eerdere studies suggereerden al dat de aanvang van de puberteit verband hield met het risico op ziektes decennia later, maar tot nu toe was het niet duidelijk of dit verband bijvoorbeeld secondair was vanwege andere factoren zoals lichaamsgewicht. Onze studie vond directe causale verbanden tussen vroege puberteit en toegenomen risico op kanker. Dit verband zou misschien verklaard kunnen worden door hogere niveaus van geslachtshormonen gedurende het leven, maar er is meer onderzoek nodig om te begrijpen welke mechanismen hier aan het werk zijn. We pogen deze verbanden te begrijpen en daarmee bij te dragen aan het voorkomen van ziektes op latere leeftijd."

De aanvang van de puberteit varieert sterk tussen personen, maar die variatie is binnen gezinnen vaak minder sterk. Gegevens uit het Nederlands Tweelingen Register laten bijvoorbeeld zien dat verschillen tussen vrouwen wat betreft de leeftijd tijdens de eerste menstruatie sterk erfelijk zijn, waarbij genetische factoren meer dan 70% van de variatie verklaren (S.M. van den Berg and D.I. Boomsma, Behavior Genetics, 2007).

Dankzij de analyses van genetische varianten over het hele genoom van 329.345 vrouwen, kon deze nieuwe studie 389 onafhankelijke genetische signalen voor de leeftijd bij aanvang van de puberteit bij vrouwen identificeren. Deze bevinding is daarna bevestigd bij nog eens 39.543 vrouwen die meedoen aan de deCODE studie in IJsland. Deze bevindingen werpen nieuw licht op de mechanismen die de aanvang van de puberteit reguleren.

Dr. Hamdi Mbarek, co-auteur en Assistant Professor aan de afdeling Biologische Psychologie van de Vrije Universiteit Amsterdam: "Deze resultaten benadrukken nogmaals het belang van genetische factoren bij de het begin van de puberteit, een van de aspecten van (on)vruchtbaarheid. Daarnaast onderschrijven deze bevindingen wat we weten over de negatieve associatie met geslachtshormoon-gevoelige kankervarianten bij vrouwen en mannen.

 Een van de opmerkelijke bevindingen betreft de rol van zogeheten “imprinted” genen, die alleen actief zijn in het lichaam wanneer ze specifiek van één van beide ouders geërfd zijn, maar niet van de ander. We hebben zeldzame varianten in twee genen gevonden, die beide de leeftijd bij aanvang van de puberteit verlagen wanneer ze geërfd worden van de vader, maar die geen effect hebben wanneer ze van de moeder geërfd worden."

Referentie:
Felix R. Day, Deborah J. Thompson, Hannes Helgason et al. Genomic analyses identify hundreds of variants associated with age at menarche and support a role for puberty timing in cancer risk
Nature Genetics 2017 10.1038/ng.3841

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Hamdi Mbarek via h.mbarek@vu.nl

Nature & Nurture: Twin Research and Human Genetics Summer School

The VU Amsterdam Summer School is open for application! Explore Amsterdam and the Netherlands with a unique group of friends, while studying a topic you love.

Twins have always been a subject of great scientific interest. Summer of 2017, continue this study of twin genetics in our course, Nature and Nurture: Twin Research and Human Genetics. This is an interdisciplinary course where you will explore the interaction between genes and environment and what determines behavior, lifestyle, and health.

The course is taught by scientists that work closely with the world-renowned Netherlands Twin Register at Vrije Universiteit Amsterdam. They will train you in studying twin data, as well as information from genomics and epigenetics. The course will also cover both the theoretical and philosophical background that comes with genetic research. This will help increase your understanding of complex human genetics and accompanying traits.

Various housing options are available to all students, both on and off campus. We are proud of our high student satisfaction. VU Amsterdam Summer School has been credited by its students with an average score of 8.5 out of 10. Be aware: 

- Students of our partner universities receive a discount of €250

- Follow 2 courses: €100 discount, follow 3 courses: €200 discount

- 10 scholarships available that cover the full tuition fee of one course

For more information on our course and on how to apply, see: http://bachelors.vu.amsterdam/en/summer-school/courses/TwinResearchandHumanGenetics/index.aspx

For more information on the VU Amsterdam Summer School, see: bachelors.vu.amsterdam/en/summer-school/index.aspx

Samenwerken aan big data voor het ontrafelen van ziekteprocessen

05/12/2016

Patiënten met dezelfde ziekte krijgen vaak allemaal dezelfde behandeling, ook al is de oorzaak van de ziekte bij iedereen verschillend. Zes Nederlandse universiteiten bundelden hun krachten om die verschillende ziekteprocessen voor een reeks veelvoorkomende aandoeningen in kaart te brengen. Een nieuwe stap om uiteindelijk iedere patiënt een persoonlijker behandeling te kunnen aanbieden. De resultaten van deze zoektocht zijn gepubliceerd in twee artikelen in het gezaghebbende tijdschrift Nature Genetics.

Nieuwe fase

De onderzoekers konden hun ontdekkingen doen dankzij nieuwe technieken die het mogelijk maken om bij duizenden mensen de regulatie en activiteit van al hun genen in één keer te meten en die gegevens te koppelen aan miljoenen erfelijke verschillen in het DNA. De gezamenlijke analyse van zulke ‘big data’, maakte het mogelijk om voor een reeks verschillende ziekten, van prostaatkanker tot chronische darmontsteking, te achterhalen welke moleculaire processen in het lichaam ontregeld raken nog voordat mensen daadwerkelijk ziek zijn. "Met de opkomst van ‘big data’, steeds snellere computers en nieuwe wiskundige technieken, is het nu mogelijk zeer grote studies uit te voeren en in een keer begrip te krijgen van veel ziektes tegelijkertijd" aldus de onderzoeksleider uit Groningen Lude Franke (UMCG). De onderzoekers laten zien hoe duizenden ziekte-gerelateerde DNA verschillen de interne werking van een cel verstoren en hoe hun effect wordt beïnvloed door omgevingsfactoren. Dat alles zonder dat er een laboratorium experiment aan te pas kwam. 

Grootschalige samenwerking in Nederland

Het succes van dit onderzoek is het resultaat van de keuze die biobanken  uit heel Nederland zo’n zes jaar geleden maakten om gegevens en biomateriaal te delen. Zo konden in bloedmonsters van een zeer groot aantal vrijwillige deelnemers moleculaire gegevens op gestandaardiseerde en veilige manier worden verzameld, opgeslagen en geanalyseerd. Dit onderzoek illustreert de enorme waarde van grootschalige samenwerking op medisch onderzoeksgebied binnen Nederland. "We lopen in Nederland voorop in het onderling delen van moleculaire gegevens. Dit maakt grootschalige studies mogelijk die noodzakelijk zijn om de oorzaken van ziekten beter te begrijpen. Dit resultaat is dan ook pas het begin: iedere Nederlandse onderzoeker met een goed wetenschappelijk idee krijgt na een screening toegang tot de grote hoeveelheid anonieme gegevens. De Nederlandse poldermentaliteit brengt ook de wetenschap verder", aldus de Leidse onderzoeksleider en initiator van het samenwerkingsverband Bas Heijmans (LUMC).

Persoonlijke aanpak

Het nauwgezet in kaart brengen van de verschillende moleculaire oorzaken van een ziekte, is de opmaat naar een geneeskunde die beter aansluit bij het ziekteproces van individuele patiënten. Dat ideaal bereiken is een kwestie van de lange adem. De grootschalige moleculaire gegevens die verzameld zijn voor dit onderzoek, vormen dan ook weer een hoeksteen van nog grotere samenwerkingsverbanden. De derde onderzoeksleider, Peter-Bram ’t Hoen (LUMC), stelt: “Grote hoeveelheden gegevens moeten het uiteindelijk mogelijk maken om iedere Nederlander een persoonlijk gezondheidsadvies te kunnen geven en om de beste behandeling voor de individuele patiënt te kunnen bepalen.”

De twee wetenschappelijke artikelen zijn op 5 december gepubliceerd in Nature Genetics (http://dx.doi.org/10.1038/ng.3721 & dx.doi.org/10.1038/ng.3737). Het onderzoek is tot stand gekomen dankzij de samenwerking binnen het biobank consortium BBMRI-NL (Biobanking and BioMolecular resources Research Infrastructure)  van zes langlopende Nederlandse bevolkingsonderzoeken geleid vanuit de universitaire medische centra van Groningen (LifeLines), Leiden (Leiden Langleven Studie), Maastricht (CODAM Studie), Rotterdam (Rotterdam Studie) en Utrecht (Prospectieve ALS studie Nederland), en vanuit de Vrije Universiteit (Nederlands Tweelingen Register) plus de nationale rekenfaciliteit van SURFsara en de humane genoom faciliteit HuGE-F van het ErasmusMC. Het onderzoek sluit aan bij de route Personalized Medicine van de Nationale Wetenschapsagenda.

12 DNA-gebieden gevonden die gelinkt zijn aan de leeftijd bij het eerste kind en de gezinsgrootte

31/10/2016

Onderzoekers hebben 12 specifieke gebieden van de DNA volgorde geïdentificeerd die duidelijk gerelateerd zijn aan de leeftijd waarop mensen hun eerste kind krijgen en aan het totaal aantal kinderen dat mensen gedurende de loop van hun leven krijgen. De studie, geleid door de Universiteit van Oxford uit het Verenigd Koninkrijk in samenwerking met de Universiteit van Groningen, de Vrije Universiteit Amsterdam en de Universiteit van Uppsala uit Zweden, betrof een analyse van 62 datasets met informatie van 238.064 mannen en vrouwen voor de leeftijd van het eerste kind, en bijna 330.000 mannen en vrouwen voor het aantal kinderen. Tot voor kort dacht men dat voortplantingsgedrag voornamelijk gerelateerd was aan persoonlijke keuzes of sociale omstandigheden en omgevingsfactoren. Dit nieuwe onderzoek laat nu zien dat genetische varianten geïsoleerd kunnen worden en dat er ook een biologische basis voor voortplantingsgedrag is. Het artikel is geschreven door meer dan 250 sociologen, biologen en genetici van instituten uit de hele wereld en is gepubliceerd in the tijdschrift Nature Genetics.

Hoofdauteur professor Melinda Mills, van de afdeling Sociologie en het Nuffield College aan de Universiteit van Oxford legt uit: "Voor het eerst weten we nu waar zich de DNA-gebieden bevinden die gelinkt zijn aan voortplantingsgedrag. Zo vonden we bijvoorbeeld dat vrouwen met DNA-varianten voor het later starten van een gezin ook DNA-code bezitten gerelateerd aan een later begin van de menstruatie en een latere menopauze. Op een dag zal het wellicht mogelijk worden om deze informatie te gebruiken zodat dokters op basis van de DNA-varianten de belangrijke vraag kunnen beantwoorden: 'Hoe lang kun je wachten?'. Het is wel zaak om dit in het juiste perspectief te blijven zien: het krijgen van een kind is nog steeds sterk afhankelijk van vele sociale en omgevingsfactoren en deze zullen altijd een grotere rol blijven spelen in de vraag of en wanneer we baby's krijgen."

De studie laat zien dat DNA-varianten gelinkt met de leeftijd waarop mensen hun eerstgeboren kind krijgen ook geassocieerd zijn met andere eigenschappen die te maken hebben met reproductie en seksuele ontwikkeling, zoals de leeftijd waarop meisjes voor het eerst ongesteld worden, jongens de baard in de keel krijgen, en vrouwen de menopauze ondergaan. Co-auteur Hamdi Mbarek van de afdeling Biologische Psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam legt uit: "De identificatie van de genen die invloed hebben op ons voortplantingsgedrag alsmede de onlangs geïdentificeerde genen die de kans voor moeders om twee-eiige tweelingen te krijgen verhogen dragen bij aan onze kennis om de genetische en biologische architectuur van vruchtbaarheid beter te begrijpen."

De onderzoekers rekenden uit dat varianten in de 12 gebieden van het DNA samen minder dan 1% voorspelden in de timing waarop mannen en vrouwen hun eerste kind krijgen en in het aantal kinderen dat ze in de loop van het leven krijgen. In het artikel wordt uitgelegd dat hoewel deze getallen 'zeer klein' lijken te zijn, de modellen ook laten zien dat in sommige gevallen als de varianten samengenomen worden zij de kans kunnen voorspellen dat een vrouw kinderloos blijft. Verder was belangrijk dat door het in detail bestuderen van de functie van de 12 DNA-gebieden en de genen in deze regio's, de onderzoekers 24 genen hebben geïdentificeerd die waarschijnlijk verantwoordelijk zijn voor de effecten van de 12 DNA-varianten op voortplantingsgedrag. Van sommige van deze genen was al bekend dat ze een invloed hebben op onvruchtbaarheid, terwijl anderen nog niet bestudeerd zijn.

Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Hamdi Mbarek via h.mbarek@vu.nl of 06-26496202

Genen van baby hebben effect op geboortegewicht en op latere ziekten

29/09/2016

Een internationale groep onderzoekers heeft ontdekt waarom sommige baby's zwaarder of lichter zijn dan andere baby's bij de geboorte. Genetische verschillen tussen kinderen die bijdragen aan verschillen in hun geboortegewicht verklaren dit. Bovendien ontdekten de onderzoekers een link tussen het geboortegewicht en het ontstaan van aandoeningen later in het leven, zoals  type-2 diabetes. De omvangrijke studie is uitgevoerd door meer dan 160 onderzoekers uit 17 landen waaronder Nederlandse wetenschappers van het Nederlands Tweelingen Register en EMGO Institute for health and care van de Vrije Universiteit Amsterdam, het Erasmus Medisch Centrum en het Leids Universitair Medisch Centrum. De resultaten van dit onderzoek naar de genetische verschillen van bijna 154.000 mensen uit de hele wereld kunnen helpen om nieuwe manieren van preventie en behandeling van diabetes te ontwikkelen en zijn onlangs gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature.
Een aanzienlijk deel (ten minste een zesde) van de variatie in het geboortegewicht is te verklaren door de genetische verschillen tussen kinderen. Dit is zeven tot acht keer meer variatie dan verklaard kan worden door de reeds bekende factoren die het geboortegewicht beïnvloeden, zoals roken tijdens de zwangerschap of overgewicht van de moeder voor de zwangerschap. VU-hoogleraar Dorret Boomsma (Nederlands Tweelingen Register): "Deze resultaten wijzen op de belangrijke rol van genetische verschillen bij geboortegewicht en groei van kinderen en verklaren ook de bekende link tussen een laag geboortegewicht en het toekomstige risico op ziekte. Dit onderzoek richtte zich op geboortes van 1 kind, van ons is het van belang om te onderzoeken welke rol deze genen spelen bij het bepalen van het geboortegewicht bij tweelingen. Zij worden meestal geboren met een lager geboortegewicht."

Kans op diabetes en geboortegewicht

Het is bekend dat baby's met een geboortegewicht onder of ver boven het gemiddelde een verhoogd risico hebben op hart- en vaatziekten en diabetes later in het leven. Tot nu toe werd gedacht dat dit het gevolg is van de lange termijn effecten van de nutritionele omgeving waarin de foetus zich ontwikkelt.. Boomsma: "In deze nieuwe studie hebben we ontdekt dat een aanzienlijke overlap tussen de genen  in voor geboortegewicht en genen voor een verhoogd risico op diabetes en hartziekte. Deze bevindingen laten zien dat genetische invloeden die vroeg in het leven belangrijk zijn, later een rol spelen bij het ontwikkelen van diabetes en hart- en vaatziekten."

Nieuwe genetische risicofactoren gevonden die migraine veroorzaken

20/06/2016

Een internationale onderzoeksgroep heeft bijna dertig nieuwe genetische risicofactoren voor migraine gevonden. Veel van deze risicofactoren bevinden zich binnen of nabij de genen die het bloedvatenstelstel reguleren. Daarnaast bevestigen de resultaten de theorie dat een abnormale functie van de bloedvaten in de hersenen een belangrijk onderdeel is bij het veroorzaken van migraineaanvallen. De studie is gebaseerd op DNA- en migraine gegevens van 375.000 Europese, Amerikaanse en Australische deelnemers, waaronder een grote groep deelnemers uit het Nederlands Tweelingen Register. De resultaten zijn vandaag gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Nature Genetics.

De studie is uitgevoerd door leden van het International Headache Genetics Consortium, gevormd door onderzoeksgroepen uit Australië, Denemarken, Estland, Finland, Duitsland, IJsland, Nederland, Noorwegen, Spanje, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. De onderzoekers combineerden de gegevens van 22 genoomwijde associatiestudies inclusief nieuwe gegevens van ongeveer 35.000 migrainepatiënten. Uit de miljoenen genetische varianten bleek dat 38 onafhankelijke genoomgebieden geassocieerd zijn met migraine.

Resultaat door internationale samenwerking

Het consortium is gewijd aan het blootleggen van de genetische oorzaken van migraine en is gedurende de afgelopen jaren in staat geweest om veel risico-varianten te identificeren. In deze laatste grootschalige studie zijn tientallen nieuwe genetische risicofactoren ontdekt. Onderzoeksleider professor Aarno Palotie:  "Omdat al deze varianten het risico op deze ziekte slechts in geringe mate verklaren, kon het effect alleen worden gezien wanneer een grote hoeveelheid mensen bereid zijn om mee te doen aan dit soort projecten. We kunnen daarom ook niet vaak genoeg het belang van internationale samenwerking benadrukken bij het bestuderen van de genetica van complexe, veel voorkomende ziekten, zoals migraine."

Migraine

Migraine is een aandoening die bij ongeveer 1 op 7 mensen wereldwijd voorkomt. De onderliggende mechanismen zijn echter moeilijk te begrijpen en maken het ontwikkelen van nieuwe behandelingen moeilijk. De onderzoekers ontdekten dat de gevonden genetische locaties voor een groot gedeelte overeenkomen met bekende genen. Maar liefst negen van de genen zijn eerder gevonden in verband met een aantal vasculaire aandoeningen en van vier genen is bekend dat ze betrokken zijn bij bloedvolume, wat de gevonden invloed van bloedvaten op migraine-aanvallen ondersteunt. Artsen weten al lang dat migrainepatiënten van elkaar verschillen en dat medicijnen die bij sommige patiënten succesvol zijn, bij anderen juist averechts werken. In de toekomst hopen de onderzoekers dan ook dat deze nieuwe kennis kan worden gebruikt bij het verdelen van de patiënten in verschillende genetische groepen op basis van gevoeligheid.

Meta-analysis of 375,000 individuals identifies 38 susceptibility loci for migraine (2016). Padhraig Gormley, Verneri Anttila, Bendik S Winsvold et al. Nature Genetics. http://dx.doi.org/10.1038/ng.3598

Wetenschappers hebben een verband ontdekt tussen iemands dna en depressieve gevoelens of juist geluk. De vondst is een grote doorbraak in dna-onderzoek. "Deze studie is een mijlpaal omdat het aantoont dat geluk en depressie deels erfelijk zijn bepaald", zegt VU-hoogleraar biologische psychologie Meike Bartels. 

"Tegelijkertijd is het een nieuw begin", zegt ze. "We hebben nu een groep genetische varianten in beeld die invloed uitoefenen, maar er zijn er nog veel meer."

Bartels is een van de leiders van het internationale onderzoek en noemt het vinden van genen die bepalend zijn voor geluk of depressie "de volgende stap". Ze hoopt dat vervolgonderzoek duidelijkheid geeft over de invloed van het dna op het geluk of depressieve gevoelens bij mensen.

Tweelingen

Onderzoek naar genetische invloed op het gevoel van mensen is erg complex. Alleen door grote onderzoeksgroepen te gebruiken kunnen kleine invloeden van lettercombinaties in het dna worden aangetoond.

Eerder ontdekten de onderzoekers al dat geluksgevoelens bij eeneiige tweelingen sterk op elkaar leken. Omdat het dna van eeneiige tweelingen overeenkomt, moest er wel een verband zijn tussen de genen en de gevoelens, dachten de onderzoekers. Dat verband is dus nu aangetoond.

De resultaten kwamen uit een wereldwijd onderzoek waaraan 181 onderzoekers van 145 wetenschappelijke instituten meewerkten. Maar liefst 298.000 mensen werden onderzocht.

Via NOS.nl

Ook nu.nl schreef over dit onderzoek

Mensen verschillen in hun sportgedrag. Sommigen sporten nooit en anderen sporten regelmatig. Bij jonge kinderen worden deze individuele verschillen vooral bepaald door de omgeving waarin zij opgroeien. Vanaf een jaar of veertien wordt hun genetische aanleg steeds belangrijker en daalt de relatieve invloed van de omgeving. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Charlotte Huppertz waarbij data werden gebruikt van tweelingen die staan ingeschreven bij het Nederlands Tweelingen Register (NTR). Verder vond zij geen samenhang tussen sportgedrag en BMI in een grote groep 7 tot 18-jarigen.

Invloed genen en omgeving op sportgedrag
 Huppertz bracht in kaart hoe groot de invloed van genen en de omgeving is op verschillen tussen kinderen en adolescenten in sportgedrag.  Zij ontdekte dat de invloed van de omgeving afneemt naarmate kinderen ouder worden en dat de invloed van genen toeneemt. Bovendien vond zij dat sportgedrag matig stabiel is tijdens de kindertijd, maar dat de stabiliteit toeneemt naarmate kinderen ouder worden. Huppertz: “Een kind dat bijvoorbeeld op zevenjarige leeftijd sport, heeft een gematigde kans om nog steeds te sporten als het tien jaar oud is. De kans dat een adolescent die op zijn veertiende sport dit twee jaar later nog steeds doet, is daarentegen groter.” Deze stabiliteit wordt vooral bij jongens verklaard door een set genen die van invloed is op meerdere leeftijden. Het feit dat sportgedrag voor een deel erfelijk is, betekent dat het voor sommigen makkelijker is dan voor anderen om regelmatig te gaan sporten. Het betekent niet dat iemand met een ongunstige genetische achtergrond nooit zal sporten.

Geen samenhang tussen sporten en BMI
Sporten leidt tot een hoger energieverbruik en kan leiden tot minder vetopslag en dus een lager lichaamsgewicht. Huppertz vond echter geen samenhang tussen sportgedrag en BMI in een grote groep minderjarigen: sportende kinderen en jongeren hadden gemiddeld geen lager BMI dan niet-sporters. Andere factoren zouden het verwachte verband hebben kunnen laten verdwijnen, waaronder de energie die het lichaam gebruikt voor basale processen zoals zuurstofvoorziening en spijsvertering, dagelijkse beweging zoals fietsen of lopen, en voeding. “Als mensen meer gaan eten zodra zij beginnen met sporten, zal het lichaamsgewicht nauwelijks veranderen”, zegt Huppertz. “Dit neemt niet weg dat sporten belangrijke effecten heeft op de gezondheid en dat we er naar moeten streven om iedereen regelmatig te laten bewegen.” Verder bleek uit het onderzoek dat kinderen van hoogopgeleide ouders meer sportten dan kinderen van lager opgeleide ouders. De laatste groep wordt dus beschouwd als een risicogroep die speciale aandacht nodig heeft.

In de media:
nu.nl en Metro België.

Meer informatie over het proefschrift in VU-DARE

De omgeving waaraan mensen worden blootgesteld tijdens hun leven laat zijn sporen achter in hun DNA. Dat blijkt uit onderzoek van het Nederlands Tweelingen Register van de Vrije Universiteit Amsterdam in samenwerking met onderzoekers van het Leids Universitair Medisch Centrum en het Avera Institute for Human Genetics (Verenigde Staten). De onderzoekers ontdekten dit verband door informatie die rond het DNA zit  - het zogenaamde epigenoom – van eeneiige en twee-eiige tweelingen te analyseren. De bevindingen dragen bij aan een beter begrip van de onderliggende processen van ziektes zoals diabetes type 2, verslaving en psychiatrische aandoeningen die ontstaan door een samenspel van de omgeving en erfelijke factoren. De resultaten zijn vandaag gepubliceerd in Nature Communications.

Epigenoom verschilt tussen personen
De werking van het DNA verschilt aanzienlijk tussen mensen. De volgorde van de DNA-code (het genoom) is namelijk niet bij iedere persoon hetzelfde - met uitzondering van eeneiige tweelingen. Daarnaast zijn er schakelaars in het genoom die bepalen hoe genen staan afgesteld (het epigenoom). En die staan niet bij iedereen hetzelfde afgesteld, zelfs niet bij eeneiige tweelingen. Een onderdeel van die schakelaars is DNA-methylatie. Dit houdt in dat een methylgroep aan het DNA wordt bevestigd. VU-onderzoeker Jenny van Dongen: “DNA-methylatie geeft aan welke genen ’aan’ staan en welke genen ’uit’ staan. De ene persoon kan meer methylatie op een bepaalde plek van het DNA hebben dan de andere persoon en daardoor verschilt het per persoon welke genen aan en uit staan.”

Invloed van omgeving op het epigenoom
De onderzoekers vergeleken het DNA van tweelingen en ontdekten hierdoor dat een deel van de verschillen in DNA-methylatie tussen personen wordt veroorzaakt door de DNA-code zelf en dus erfelijk is. Het genoom regelt dus ten dele, los van omgevingsinvloeden, welke genen aan en welke uit staan. Maar de omgeving kan ook invloed uitoefenen op de schakelaars. Uit eerder onderzoek is bekend dat bijvoorbeeld blootstelling aan sigarettenrook en wat mensen eten een effect heeft op de methylatie van bepaalde genen. Van Dongen: “Dit nieuwe onderzoek laat zien dat er duizenden locaties in het epigenoom zijn waar verschillen in methylatie tussen personen optreden door invloeden uit de omgeving. Deze verschillen worden groter naarmate mensen ouder worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor genen die betrokken zijn bij cholesterolniveaus en genen die gevoelig zijn voor blootstelling aan sigarettenrook. De volgende vraag is nu wat de consequenties zijn voor gezondheid.”

Onderzoekers van de VU, het AMC en de Radboud Universiteit hebben vier genen ontdekt die een rol spelen bij het gebruik van cannabis. Dat publiceren zij samen met collega's uit Europa en de VS deze week in Translational Psychiatry. Het onderzoek werd gedaan onder bijna 40.000 deelnemers uit 17 verschillende studies die samen het 'Internationaal Cannabis Consortium' vormen.

Een op de vier Nederlanders heeft ooit tijdens zijn leven cannabis gebruikt. Hoewel cannabis voor sommigen een relatief onschuldige drug lijkt, kan cannabisgebruik leiden tot psychische en lichamelijke klachten en tot verslaving. Uit eerdere studies onder tweelingen is bekend dat erfelijke factoren een belangrijke rol spelen (ongeveer 45% erfelijkheid) bij het wel of niet gaan gebruiken van cannabis. Maar niet eerder was duidelijk om welke genen het ging.

De onderzoekers vonden vier genen die bij cannabisgebruikers een andere variatie vertoonden dan bij mensen die nooit cannabis gebruikten. "Een van deze vier genen, NCAM1, wekte onze interesse extra omdat dit gen in eerdere studies ook een rol speelt bij nicotineverslaving", aldus onderzoekers Eske Derks (AMC) en Jacqueline Vink (Radboud Universiteit). NCAM1 speelt een rol bij de overdracht van dopamine in de hersenen. Dit hormoon dat ervoor zorgt dat je beloning ervaart speelt een grote rol bij verslaving. Of dat ook bij cannabisgebruik het geval is moet nu verder onderzocht worden. De onderzoekers toonden verder aan dat de genetische risicofactoren voor cannabisgebruik voor een groot deel overlappen met de risicofactoren van nicotinegebruik.

De vondst van deze vier genen geeft meer inzicht in de biologische processen die een rol spelen bij cannabisgebruik. Vervolgonderzoek zal zich gaan richten op hoe de genen het gebruik van cannabis beïnvloeden en of ze een rol bij verslaving spelen.

Nieuwe genen ontdekt die cholesterolgehalte en lichaamslengte kunnen beïnvloeden

01/03/2016

Een team van onderzoekers uit Nederland en Boston (Verenigde Staten) hebben methodes ontwikkeld om op basis van informatie over DNA schattingen te doen over de mate waarin genen tot expressie komen. De methode is getest in twee grote Nederlandse cohort studies bij het Nederlands Tweelingen Register en de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA), die zowel DNA varianten als genexpressie in bloed hebben verzameld. Hieruit blijkt dat de methode werkt om nieuwe verbanden tussen DNA, genexpressie en complexe eigenschappen te vinden. De resultaten zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Genetics.

Uiting van genen

Genexpressie is het proces waarbij informatie in een gen tot uiting komt, doordat het gen afgelezen wordt en RNA en vervolgens eiwitten worden gemaakt. De expressie van genen is niet altijd hetzelfde bij mannen en vrouwen, op verschillende leeftijden, of in verschillende cellen van het lichaam en wordt gereguleerd door omgeving en door genetische varianten (DNA sequentie). De onderzoekers hebben een methode ontwikkeld om met DNA genexpressie te schatten, zodat het niet nodig is om genexpressie te meten.
Rick Jansen, onderzoeker bij het VU medisch centrum en werkzaam op de NESDA-NTR cohort studies: “Met dit nieuwe model zijn nieuwe DNA-varianten gevonden die onder andere cholesterolgehalte en lichaamslengte beïnvloeden. Deze varianten zijn nog niet eerder gevonden toen er nog geen informatie over genexpressie was. Bovendien weten we niet alleen welke DNA-varianten deze eigenschappen beïnvloeden, maar we weten  nu ook via de expressie van welke genen dit gebeurt."

Invloed van DNA-varianten op ziektebeelden

Aangezien DNA niet kan worden aangepast, maar vaak wel genexpressie en eiwit niveaus, is het vinden van verbanden tussen DNA, genexpressie en complexe eigenschappen zoals cholesterol gehalte (maar ook ziektebeelden) belangrijk. Hiermee brengen wordt het mechanisme in kaart gebracht waarmee DNA deze eigenschappen beïnvloed.  Bepaalde DNA-varianten kunnen ervoor zorgen dat dit mechanisme minder goed functioneert. Als deze mechanismes goed in kaart zijn gebracht kan worden onderzocht op welke plek binnen het mechanisme men kan ingrijpen om voor het DNA-effect te compenseren, door bijvoorbeeld eiwit of genexpressie niveaus te reguleren.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Rick Jansen.

NTR krijgt bijdrage uit NWO-groot programma

10/02/2016

Goed nieuws voor het meerlingonderzoek: het Nederlands Tweelingen Register krijgt voor het onderzoek naar de wisselwerking tussen genoom en omgeving een prachtige bijdrage uit het NWO-groot subsidieprogramma. De gegevens worden ontsloten voor andere wetenschappers, waarmee de waardevolle gegevens veiliggesteld worden voor de volgende generaties wetenschappers; zij kunnen dan werken met gegevens die wel 30 of 40 jaar terug gaan.

Lees meer bij NWO.

Honderdste tweeling gescand voor onderzoek naar oorzaken van Alzheimer

18/01/2016

Donderdag 14 januari is de honderdste tweeling door de PET-MRI-scanner in het VUmc gegaan. Onderzoekers van het VUmc Alzheimercentrum bestuderen oudere tweelingen om meer te weten te komen over de erfelijke achtergrond van geheugenverlies en de ziekte van Alzheimer. Ze zoeken bij tweelingen boven de 60 jaar naar biomarkers die het ontstaan van de ziekte van Alzheimer kunnen voorspellen. Lees hier meer over het onderzoek, we zoeken nog tweelingen van 70 jaar en ouder.

Kijk hier naar een uitzending van Hallo Nederland met aandacht voor het onderzoek (vanaf 04:30)

Luister hier naar een uitzending van Met het Oog op Morgen (vanaf 28:00)

Het NTR heeft goede banden met de Nederlandse Vereniging van Ouders van Meerlingen is en altijd aanwezig bij de bijeenkomsten van de NVOM. Op onderzoeksterrein wordt veel samengewerkt en de NVOM steunt het werk van het Nederlands Tweelingen Register.

Dit jaar bestaat de NVOM 25 jaar en tijdens de eerste bijeenkomst op 17 januari werd een mooie cheque aan het NTR overhandigd door bestuurslid Dennis de Krom (rechts op de foto) aan Dorret Boomsma (links). In het midden staat Dominique van Vliet, actrice, moeder van een tweeling en ambassadeur voor de NVOM