The genetics of electrophysiological indices of brain activity. An EEG study in adolescent twins
Samenvatting
Tot nu toe was weinig bekend over de genetische en omgevingsinvloeden van individuele verschillen van het centraal zenuwstelsel (CZS). In dit proefschrift wordt beschreven in hoeverre genetische en omgevingsfactoren van invloed zijn op individuele verschillen in het functioneren van het CZS. Om een indicatie van het functioneren van het centraal zenuwstelsel (CZS) te krijgen is met behulp van een electroencephalogram (EEG) de elektrische hersenaktiviteit aan de buitenkant van het hoofd gemeten. De EEG-registraties zijn gemaakt tijdens rust en tijdens het uitvoeren van een eenvoudige taak, een oddball-taak. Van het EEG zijn drie electrofysiologische maten afgeleid: EEG-power, EEG-coherentie en de P300. EEG-power geeft de globale hersenactiviteit weer en geeft informatie over de verschillende frequenties (delta, theta, alpha en beta) waaruit het EEG-signaal is opgebouwd. EEG-coherentie is gebruikt om de samenhang van de hersenactiviteit tussen de verschillende gebieden weer te geven. De P300 geeft de hersenaktiviteit tijdens de taak weer. Het is een component van een 'Event Related Potential ' (ERP). Een ERP is een verandering van de elektrische hersenaktiviteit die samenhangt met de verwerking van een stimulus.
Kennis
over de genetische en omgevingsinvloeden op individuele verschillen in CZS kan
bijdragen tot meer inzicht in de genetische determinanten van complex gedrag.
Voor een groot aantal eigenschappen, zoals cognitieve vaardigheden,
persoonlijkheidseigenschappen en psychopathologisch gedrag (Plomin et al. 1990),
is bekend dat genetische factoren een belangrijke rol spelen. Het is echter
moeilijk om de genetische determinanten te bepalen omdat deze eigenschappen
waarschijnlijk beïnvloed worden door meer dan één gen en tot stand komen in
interactie met de omgeving. Omdat de hersenen een mediërende rol spelen bij dit
soort complexe gedragingen, kan de bestudering van het CZS mogelijk een bijdrage
leveren aan het bepalen van de genetische determinanten van complex gedrag.
Om
de bijdrage van genetische en omgevingsfactoren te bepalen is de tweelingmethode
gebruikt. Deze methode vergelijkt de overeenkomst voor een bepaalde eigenschap,
zoals bijvoorbeeld de hersenacktiviteit tussen monozygote (MZ) tweelingen en
dizygote tweelingen (DZ) om een schatting van de erfelijkheid te krijgen. MZ
tweelingen zijn genetisch identiek en verschillen tussen twee leden van een
tweelingpaar moeten dus veroorzaakt worden door unieke omgevingsfactoren. Bij DZ
tweelingen is het erfelijk materiaal gemiddeld 50% gelijk. Indien de
overeenkomst voor bijvoorbeeld
hersenaktiviteit groter is in MZ- dan DZ-tweelingen dan is dit een eerste
indicatie dat erfelijke factoren een rol spelen. Als de mate van overeenkomst in
MZ- en DZ-tweelingen gelijk is dan spelen gemeenschappelijke omgevingsfactoren
een rol.
Na
een algemene introductie in hoofdstuk 1, wordt in hoofdstuk 2 een overzicht
gegeven van tweeling- en familiestudies die de oorzaken van individuele
verschillen in EEG en ERPs onderzocht hebben. Hoewel de meeste studies weinig
proefpersonen gebruikten, kan geconcludeerd worden dat genetische factoren de
belangrijkste determinanten zijn van individuele verschillen in het EEG. De
invloed van erfelijke factoren op ERPs is minder duidelijk, maar waarschijnlijk
speelt een geringer betrouwbaarheid van een ERP-meting hierin een rol. In de
meeste tweelingstudies over EEG en ERPs zijn correlaties tussen familieleden
gebruikt om een schatting van de erfelijkheid te geven. Weinig onderzoeken
hebben gebruik gemaakt van de meer geavanceerde methode van 'model fitting'.
Hoewel er duidelijke verschillen zijn in de structuur en functie van verschillende
hersengebieden, hebben weinig onderzoeken de invloed van dezelfde genetische
factoren op meerdere gebieden onderzocht. Hetzelfde geldt voor verschillen
tussen jongens en meisjes, niet eerder zijn sekse verschillen in de genetisch
architectuur van het CZS onderzocht. In dit proefschrift is model fitting
toegepast voor alle drie electrofysiologische maten, zijn sekseverschillen in
genetische architectuur onderzocht en is bekeken in hoeverre dezelfde genetische
factoren van invloed zijn op verschillende hersengebieden.
Op
twee tijdstippen is de hersenactiviteit gemeten in 213 tweeling paren, eenmaal
op 16-jarige leeftijd en de tweede keer op 17.5-jarige leeftijd. Om
sekse-afhankelijke effecten te onderzoeken zijn naast MZ en DZ tweelingen van
gelijk geslacht ook DZ tweelingen van ongelijk geslacht opgenomen in het
onderzoek. Sekseverschillen kunnen tot uiting komen in zowel de grootte van de
effecten (verschillende mate van erfelijkheid voor jongens en meisjes) als in de
aard van de effecten (andere genetische en/of omgevingsfactoren). De
hersenactiviteit is geregistreerd over meerdere hersengebieden. Bovendien zijn
dezelfde tweelingen herhaald gemeten, zodat ook de stabiliteit van de genetische
en omgevingsinvloeden onderzocht kan worden. In de appendix zijn gegevens over
de betrouwbaarheid en stabiliteit van beide metingen weergegeven.
In
hoofdstuk 3 worden de resultaten besproken van de genetische analyses van de
EEG-power gemeten in 16-jarige jongens en meisjes. De karakteristieken van de
EEG-power zijn afhankelijk van de gedragstoestand waarin de persoon zich bevindt
en van het hersengebied waarin wordt gemeten. Uit de resultaten blijkt dat de
bijdrage van genetische factoren aan individuele verschillen in de EEG-power in
alle hersengebieden hoog is, gemiddeld 80% van de variantie wordt verklaard door
genetische factoren. De invloed van erfelijke factoren was iets kleiner voor de
delta-frequentie (lage frequenties) in de frontale hersengebieden, mogelijk
veroorzaakt door interferentie met de oogbewegingen. Er zijn bijna geen
sekseverschillen gevonden in genetische architectuur van de EEG-power. Slechts
voor enkele hersengebieden van delta, theta en beta (enkele banden van
frequencies van de EEG-power) was de proportie door genetische factoren
verklaarde variantie groter in jongens dan meisjes, deze verschillen waren
echter erg klein.
Dus,
in tegenstelling tot de anatomische en functionele verschillen van de
hersengebieden, is de erfelijkheid van de EEG power bijna even hoog in de
verschillende gebieden van de cortex. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de
morfologische variatie groter is (en de erfelijkheid lager) in de jongere,
frontale hersengebieden (Meshkova & Ravich-Shcherbo, 1982; Markowitsh, 1988)
wordt dit niet weerspiegeld in de genetische factoren die EEG-power beïnvloeden.
Met
behulp van multivariate genetische modellen is het mogelijk om te kijken naar de
oorzaken van de covariantie tussen de verschillende hersengebieden en kan de
vraag beantwoord worden in hoeverre de covariantie tussen de verschillende
hersengebieden beïnvloed wordt door dezelfde genetische factoren en/of
omgevingsfactoren. Een hoge genetische correlatie ontstaat wanneer de
genetische factoren die de afzonderlijke variabelen beïnvloeden gecorreleerd
zijn. Dit suggereert dat dezelfde genen een rol spelen. Multivariate modellen
zijn gebruikt om na te gaan of de dezelfde genetische factoren de covariantie
tussen hersengebieden in de linker en rechter hersenhelft verklaren. Uit de
resultaten blijkt dat de covariantie tussen de twee hersenhelften voornamelijk
wordt bepaald door dezelfde genen, dit geldt voor alle hersengebieden (behalve
Fp1-Fp2) van alle frequentiebanden. Vervolgens is per hersenhelft gekeken of de
covariantie tussen de verschillende hersengebieden bepaald wordt door dezelfde
genetische factoren. Voor de alpha-frequentie waren de genetische correlaties
tussen de verschillende schedellocaties binnen een hersenhelft erg hoog. Voor de
overige frequentie-banden zijn de fenotypische (geobserveerde) correlaties
tussen de verschillende hersengebieden ook hoog. Waarschijnlijk worden de
verschillende hersengebieden van deze frequentie-banden beïnvloed door dezelfde
genetische factoren.
In
hoofdstuk 4 zijn de resultaten van de P300 besproken. Tijdens een 'oddball' taak
is de hersenenactiviteit gemeten. In deze taak werden series plaatjes
aangeboden, waarbij de 'targets' minder frequent worden aangeboden dan de 'nontargets'.
Bovendien moesten de targets geteld worden. De P300 treedt met name op als
hersenrespons op de targets. De P300 wordt meestal geïnterpreteerd als een
index van stimulusevaluatie en/of hoeveelheid informatie die wordt verwerkt. De
hersenaktiviteit is over meerdere gebieden gemeten en sekseverschillen in de
genetische architectuur zijn onderzocht. De resultaten van de genetische
analyses zijn echter minder eenduidig dan de resultaten van de EEG-power. Hoewel
er een duidelijke familiale overeenkomst werd gevonden binnen tweelingparen, was
het niet mogelijk om te bepalen of deze overeenkomst veroorzaakt werd door
genetische verwantschap of door het feit dat ze opgroeien en leven in hetzelfde
gezin. Waarschijnlijk is dit probleem ontstaan door een gebrek aan voldoende
statistische power. Bovendien was de proportie door
erfelijke/gemeenschappelijke omgevingsfactoren verklaarde variantie van de P300
kleiner (varieert van 25% tot 40%) dan de proportie verklaarde variantie van de
EEG-power (gemiddeld 80%).
De
relatieve bijdrage van de familiale factoren was verschillend in jongens en
meisjes. Echter, een interpretatie van deze sekseverschillen in termen van
verschillende genetische of omgevingsinvloeden is moeilijk te geven in verband
met het gebrek statistische power.
De
proportie verklaarde variantie door familiale factoren voor de verschillende
hersengebieden was iets lager in de centrale en parietale gebieden dan in de
occipitale gebieden. Uit de multivariate genetische analyse blijkt dat dezelfde
genetische/omgevingsfactoren een rol spelen in de verschillende gebieden. Dit
geldt zowel voor de targets als de nontargets. Daarnaast was er een tweede
factor die hoog laadde op de occipitale gebieden. Deze factor zou een mogelijke
aanwijzing kunnen zijn voor meer dan één neurale generator van de P300.
Vervolgens werd bekeken of de covariantie tussen beide soorten stimuli beïnvloed
werd door dezelfde genetische en/of omgevingsfactoren. Gevonden werd dat
dezelfde genetische/omgevingsfactor de targets en nontargets beïnvloedde, maar
daarnaast werd er een tweede genetisch/omgevingsfactor gevonden die alleen
invloed had op de nontargets. Dit impliceert een interactie tussen de
psychologische test conditie en de genetische/omgevings factoren: de mate van beïnvloeding
door genetische/ omgevingsfactoren is afhankelijk van informatieverwerkende
processen.
In
hoofdstuk 5 is een beschrijving gegeven van de uitkomsten van de genetische
analyses van de EEG-coherentie. EEG-coherentie is een EEG-index welke is
toegesneden op de meting van de samenhang in hersenaktiviteit tussen
verschillende hersengebieden. Korte en lange cortico-corticale verbindingen
zouden ten grondslag liggen aan de coherente activiteit van de verschillende
hersengebieden. Een hoge EEG-coherentie tussen twee hersengebieden zou de mate
van 'verbindingen' reflecteren. Omdat dit het eerste onderzoek is naar de
genetische beïnvloeding van EEG-coherentie, is er een inventarisatie gemaakt
van genetische/omgevingsinvloeden over paren van electrodecombinaties over
langere en korter afstanden in verschillende frequenties.
Uit
de resultaten blijkt dat 40 tot 60% van de variantie in
EEG-coherentie verklaard wordt door genetische factoren. De grootste
invloed van genetische factoren werd gevonden voor de electrode-combinaties van
de alpha-frequentie. De laagste genetische invloed werd voor delta-frequentie
over de langere afstanden gevonden.
Voor
alle frequenties werd op fenotypisch niveau een significant hoofdeffect van
sekse gevonden. Voor de meeste combinaties van electrodenparen was de
EEG-coherentie hoger in meisjes dan jongens. Een sekseverschil werd niet
teruggevonden in de genetische beïnvloeding.
In
hoofdstuk 6 wordt naast de samenvatting ook de statistische power, de
betrouwbaarheid en de fenotypische en genetische stabiliteit besproken.
Statistische
power.
De statistische power van een tweelingonderzoek is afhankelijk van een aantal
factoren, zoals het aantal tweelingen en de grootte van de werkelijke genetische
invloed in de populatie. Indien de variantie in een bepaalde eigenschap voor 80%
wordt bepaald door genetische factoren dan zijn ongeveer 50 tweelingen (25 MZ en
25 DZ tweeling paren) voldoende om een statistische power van 80% te bereiken.
Echter, om kleinere genetische effecten te detecteren is een groter aantal
tweelingen nodig, bijvoorbeeld bij een erfelijkheid (h2) van 60% zijn
er 180 tweelingen nodig, bij een h2 van 40% zijn er 597 tweelingen
nodig. Voor de P300 amplitude was de hoeveelheid variantie verklaard door
familiale overeenkomst ongeveer 40%. Er was niet voldoende statistische power om
de overeenkomst binnen tweelingparen toe te wijzen aan genetische of aan
gemeenschappelijke omgevingsfactoren. Hiervoor zou een grotere steekproef nodig
zijn. Een alternatieve oplossing om de statistische power te vergroten is om de
meetfout te betrekken in de genetische analyse.
Betrouwbaarheid.
De betrouwbaarheid van een meting vormt de bovengrens van de grootte van de
erfelijkheid (Falconer, 1981). Erfelijkheid wordt berekend als de variantie
verklaard door genetische factoren gedeeld door de totale variantie (is de som
van erfelijke en unieke omgevingsfactoren). Het gedeelte van de unieke
omgevingsvariantie bestaat uit individu specifieke omgevingsinvloeden en
mogelijke meetfout. Een hoge meetfout zal daarom een vertekend beeld van de
erfelijkheid opleveren. In dit proefschrift is de erfelijkheid van de EEG-power,
EEG-coherentie en P300-amplitude geschat met traditionele genetische modellen,
waarin de meetfout is inbegrepen in de variantie van de unieke omgevingsfactor.
Het opnemen van de betrouwbaarheid in het genetische model zou het mogelijk
maken om de meetfout van de werkelijke unieke omgevingsinvloeden te scheiden en
mogelijk een hogere schatting van de genetische factoren opleveren. De
split-half correlaties van de EEG/ERP maten geven een indicatie van de
betrouwbaarheid (zie appendix). Een hoge split-half correlatie wijst op een lage
meetfout. De meetfout is hoger voor de P300-amplitude en EEG-coherentie,
daardoor is het mogelijk dat voor deze maten de erfelijkheid is onderschat.
Stabiliteit
van de fenotypische waarden.
De stabiliteit wordt weergegeven door de test-hertest correlaties, die berekend
zijn tussen twee metingen met een tussenliggende periode van anderhalf jaar. Een
lage stabiliteit is een indicatie voor veranderingen die optreden als het gevolg
van maturatie van het brein. Uit test-hertest correlaties van alle EEG/ERP maten
blijkt er weinig evidentie voor maturatie.
Stabiliteit
van genetische invloeden.
De invloed van erfelijke factoren heeft geen constante waarde maar kan tijdens
het leven veranderen. De relatieve bijdrage van erfelijke factoren kunnen bij
het ouder worden toenemen (zoals b.v. bij het IQ) of
afnemen (zoals in het geval van de bloeddruk). Dit hoeft geen verandering
op moleculair niveau te zijn, maar kan een gevolg zijn van een kleinere of
grotere invloed van omgevingsfactoren. Daarentegen kan de erfelijkheid gelijk
blijven, maar kunnen verschillende genen een rol gaan spelen. In de appendix
zijn de tweelingcorrelaties van twee metingen weergegeven om een eerste indruk
te geven van de stabiliteit van genetische/omgevingsfactoren. Op het eerste
gezicht vertonen de tweelingcorrelaties van de drie electrofysiologische maten
geen grote verschillen tussen de meting op 16- en 17.5 jarige leeftijd. Alle
drie electrofysiologische maten vertoonden een hoge genetische stabiliteit.
In
het proefschrift werd de nadruk gelegd op de genetische analyse van EEG/ERP
maten gemeten in 16 jaar oude tweelingen. Uit de resultaten blijkt dat de
individuele verschillen in EEG maten voornamelijk beïnvloed worden door
genetische factoren, met name EEG-power is erg erfelijk. Met een erfelijkheid
van 80% is de EEG-power een van de meest erfelijke eigenschappen. Dit vertelt
uiteraard niets over welke genen een rol spelen bij hersenfuncties. Om genen te
identificeren zijn 'linkage' (=koppeling) onderzoeken nodig, die gebruik maken
van zowel de recente ontwikkelingen in de moleculaire genetica en DNA
technologie alswel de recente ontwikkelingen in statistische technieken om
linkage technieken toe te passen op complexe eigenschappen. In het algemeen zijn
er grote aantallen (DZ) tweelingen nodig om 'linkage' te detecteren tussen een
quantitative trait locus (QTL = plaatsen op het chromosoom die een bepaalde
eigenschap beïnvloeden) en een DNA marker, vooral als de erfelijkheid klein is.
De kans op 'linkage' kan vergroot worden door multivariate fenotypen te
gebruiken of door individuele genotypische waarden te schatten (Boomsma, 1996).
Omdat in het onderzoek, beschreven in dit proefschrift, zowel multivariate
fenotypen geanalyseerd zijn als een hoge erfelijkheid van het EEG is gevonden,
is de uitgangspositie om te zoeken naar genen die de hersenactiviteit beïnvloeden
gunstig en daardoor mogelijk ook een veelbelovend uitgangspositie voor het
onderzoek naar de genetische determinanten van complexe gedragingen.