A genetic study of problem behaviors in children
Samenvatting
Het primaire doel van
dit proefschrift was om erfelijke- en omgevingsinvloeden op probleemgedrag bij
kleuters en adolescenten te bestuderen. In hoofdstuk 1 werd beargumenteerd dat
vanwege het continue karakter van de meeste psychiatrische stoornissen bij
kinderen de methodes van de kwantitatieve genetica kunnen worden toegepast, en
dat de stoornissen het beste gemeten kunnen worden als kwantitatieve variaties
van gedrag in plaat van alles-of-niets categorieën. Het proefschrift is
opgedeeld in twee delen. Het eerste deel had betrekking op probleemgedrag bij
kinderen en adolescenten. Dit deel bevatte erfelijke analyses op een steekproef
van 11 t/m 15 jaar oude internationale adoptiekinderen. Het tweede deel betrof
kleuters, en bevatte erfelijke analyses op probleemgedrag bij drie jaar oude
tweelingen.
Deel 1.
Een korte introductie in de methodes die toegepast werden om erfelijke invloeden
op probleemgedrag bij kinderen en adolescenten te bestuderen werd gegeven in
hoofdstuk 2. Deze introductie werd gevolgd door een overzicht van resultaten van
erfelijke studies naar de meer algemene probleemgedragingen bij 4 t/m 18
jarigen. De kleine omvang van de steekproeven van de meeste studies in het
overzicht, de verschillende manieren om probleemgedrag te meten, het gebruik van
mogelijke incorrecte modellen, en het feit dat schattingen van erfelijke- en
omgevingsinvloeden populatieafhankelijk zijn, maakte het moeilijk om duidelijke
conclusies te trekken. In zover het mogelijk was algemene conclusies te trekken
bleken erfelijke invloeden belangrijker te zijn voor de meeste
probleemgedragingen. Gedeelde omgevingsinvloeden bleken invloed te hebben op
antisociale gedragingen. De te lage DZ tweeling correlaties, die gevonden werden
voor teruggetrokken gedrag en (hyper)activiteit, suggereerden dat voor dit soort
gedrag het veelvuldig gebruikte model met additieve genetische-, gedeelde
omgevings-, en ongedeelde omgevingsinvloeden mogelijk incorrect is.
De CBCL/4-18 (Child
Behavior Checklist voor 4 t/m 18 jarigen) werd gebruikt om beoordelingen van
probleemgedrag door ouders in de steekproef van internationale adoptiekinderen
te krijgen. Het was de bedoeling om voor de erfelijke analyses recentelijk
afgeleide Amerikaanse CBCL/4-18 syndromen te gebruiken. In hoofdstuk 3 werd
daarom eerst de validiteit van de syndroomconstructen bestudeerd in de
steekproef van internationale adoptiekinderen (N=2.148). Kruis-validatie werd
verricht op een klinische steekproef (N=1.387). Resultaten onderscheiden de
validiteit van de constructen. Maar de bijdrage van een aantal items aan de
schalen van de syndroomconstructen was twijfelachtig in de steekproef van
internationale adoptiekinderen. Deze items hadden een zeer geringe variantie,
waren geen specifieke indicatoren van één construct, of verslechterden de
betrouwbaarheid van de schaal.
In hoofdstuk 4 werden de
Amerikaanse CBCL/4-18 syndromen, aangepast aan de Nederlandse steekproef van
internationale adoptiekinderen, gebruikt om erfelijke- en omgevingsinvloeden op
probleemgedrag te bestuderen. De steekproef (gemiddelde leeftijd 12.43 jaar)
bevatte een groep van biologische broers/zussen (111 paar), een groep
niet-biologische broers/zussen (221 paar), en een groep enigstkinderen (94).
Ongedeelde omgevingsinvloeden waren het belangrijkst. Erfelijke invloeden waren
substantieel voor Externaliserende gedragingen, maar onbelangrijk voor
Internaliserende gedragingen. De resultaten voor de CBCL totale probleemscore,
Aandachts Problemen, en Externaliserende gedragingen waren in overeenstemming
met resultaten van tweeling studies. Het gebrek aan erfelijke invloeden op
Internaliserende gedragingen waren in contrast met resultaten van tweeling
studies. Varianties in enigstkinderen waren significant kleiner dan voor
broers/zussen voor wat Externaliserende groepering, Delinquent Gedrag, en
Agressief Gedrag betrof. Analyses gaven aan dat deze verschillen eerder werden
veroorzaakt door factoren geassocieerd met het aantal kinderen in het gezin dan
door actieve invloeden van broers/zussen op elkaar. Significante
geslachtsverschillen werden gevonden voor 7 van de 10 schalen. De grotere
varianties voor jongens voor de Externaliserende groepering en Agressief Gedrag
werden veroorzaakt door erfelijke invloeden.
Deel 2.
Voor de erfelijke analyses op de steekproef van driejarige tweelingen werd de
CBLC/2-3 (Child Behavior Checklist voor 2 t/m 3 jarigen) gebruikt om ouderlijke
beoordelingen van probleemgedrag te krijgen. In hoofdstuk 5 werd de Nederlandse
factorstructuur van de CBCL/2-3 bestudeerd met drie verschillende steekproeven
– een klinische steekproef, kinderen uit de algemene bevolking, en de tweeling
steekproef. Exploratieve en confirmatieve factor analyses suggereerden een
zeven-factor model voor alle drie de steekproeven. De syndromen werden als volgt
benoemd: Oppositioneel, Teruggetrokken/Depressief, Agressief, Angstig,
Overactief, Slaap Problemen, en Lichamelijke Klachten. Interne consistentie,
test-hertest stabiliteit, en de overeenstemming tussen ouders was matig tot hoog
voor de zeven factoren. Factor intercorrelaties en tweede-orde factor analyses
suggereerden twee groeperingen van problemen – Externaliserend en
Internaliserend.
Bij het bestuderen van
tweelingpopulaties is het belangrijk om resultaten te kunnen generaliseren naar
de algemene bevolking. De representativiteit van de tweeling steekproef werd
bestudeerd in hoofdstuk 6. Beoordelingen van probleemgedrag door moeders in de
tweeling steekproef werden vergeleken met beoordelingen van probleemgedrag van
niet-tweelingen wier moeders ook de CBCL/2-3 hadden ingevuld. De tweeling
steekproef bestond uit 1281 tweeling paren (407 MZ, 874 DZ), de niet-tweeling
steekproef bestond uit 420 kinderen uit de algemene bevolking. Vijf van de zeven
schalen lieten wat lagere scores voor DZ tweelingen zien in vergelijking tot MZ
tweelingen en niet-tweelingen. Deze verschillen waren echter klein. Voor twee
van de zeven schalen waren de standaard afwijkingen iets kleiner voor
niet-tweelingen dan voor tweelingen. Jongens hadden een wat hogere totale
probleemscore, en scoorden wat hoger op de Agressief en Overactief Syndromen.
In hoofdstuk 7 werden de
erfelijke analyses op de afzonderlijke syndroomschalen gerapporteerd. De
tweeling steekproef bestond uit 218 MZ meisjes, 189 MZ jongens, 233 DZ meisjes,
252 DZ jongens, en 389 DZ meisje/jongen paren. Beide ouders vulden één CBCL/2-3
voor elk kind in. Analyses gaven aan dat moeders en vaders hetzelfde gedrag
beoordeelden. Erfelijke invloeden maakten 65% van de variantie in het gedrag
zoals beoordeeld door beide ouders uit, gedeelde omgevingsinvloeden 12%, en
ongedeelde invloeden 21%. Geslachtsverschillen in erfelijke- en
omgevingsinvloeden waren klein. Bewijs voor broer/zus contrasteffecten werd
gevonden voor de Angstig en Overactief Syndromen.
In hoofdstuk 8 werden
multivariate erfelijke modellen aangepast om patronen van probleemgedrag in drie
jarige tweelingen te bestuderen (446 MZ, en 912 DZ tweeling paren).
Beoordelingen door vaders en moeders werden verkregen met de CBCL/2-3. Een
biometrisch model met twee algemene genetische-, één algemene omgevings-, en
twee algemene ongedeelde omgevingsfactoren paste bijna even goed als het
verzadigde niet-beperkte model voor de erfelijke- en omgevingsbijdrages aan de
covarianties tussen de syndromen. De algemene ongedeelde omgevingsfactoren
produceerden externaliserende en internaliserende patronen. Een algemene
erfelijke factor produceerde een cluster van de Oppositioneel,
Teruggetrokken/Depressie, en Overactief syndromen met het Agressief syndroom. De
andere algemene genetische factor produceerde een clustering van de
Oppositioneel, Teruggetrokken/Depressief, en Overactief syndromen met het
Angstig syndroom. Een patroon van gelijksoortige scores op alle dimensies van
probleemgedrag was indicatief voor de algemene gedeelde omgevingsfactor.
In het laatste
hoofdstuk, hoofdstuk 9, werden de resultaten van de erfelijke analyses opgesomd,
en aandacht werd besteed aan de implicatie en interpretatie van de resultaten.
Er werd besproken dat een erfelijkheid zoals gevonden in deze studie impliceerd
dat er tussen kinderen aangeboren verschillen in gevoeligheid voor
probleemgedrag bestaan, en dat misbruik van erfelijke argumenten vaak
geassocieerd is met misinterpretatie van de kwantitatief genetische theorie.