Quantitative genetic analysis of cardiovascular risk factors in twins and their parents
Samenvatting
Het
belangrijkste resultaat uit dit onderzoek is, dat de overeenkomsten tussen
gezinsleden met betrekking tot risicofactoren voor het ontstaan van hart- en
vaatziekten voornamelijk worden veroorzaakt door hun genetische verwantschap.
Het feit dat ouders en kinderen leven en opgroeien in hetzelfde gezin is niet of
nauwelijks van invloed op de meeste cardiovasculaire risicofactoren die in dit
onderzoek werden gemeten. In Tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de mate
waarin erfelijke invloeden van belang zijn voor cardiovasculaire risicofactoren
die zijn onderzocht in een groep Nederlandse tweelingen (14-21 jaar) en hun
ouders (35-65 jaar).
Tabel
1
|
Invloed van erfelijkheid (uitgedrukt als percentage van totale variantie) op cardiovasculaire risicofactoren |
||||||||||
|
RSA
SBP DBP |
|||||||||||
|
Gemeten
tijdens rust en mentale stress taken (reactie tijd (RT) en
hoofdreken (MA) taak) in 160 adolescente tweelingparen |
|||||||||||
|
Erfelijkheid |
|||||||||||
|
|
Rust1 |
Rust2 |
RT1 |
RT2 |
MA1 |
MA2 |
|||||
|
Respiratoire
sinus aritmie |
29 |
37 |
43 |
48 |
51 |
51 |
|||||
|
Systolische
bloeddruk* |
52 |
55 |
61 |
64 |
62 |
66 |
|||||
|
Diastolische
bloeddruk* |
57 |
51 |
59 |
58 |
64 |
53 |
|||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||
Cholesterol (Apo)lipoproteïnen Lathosterol Plantsterolen HRG |
|||||||||||
|
Gemeten
in 160 adolescente tweelingparen en hun ouders |
|||||||||||
|
|
|||||||||||
|
Erfelijkheid |
|||||||||||
|
|
Totaal
cholestorol Apolipoproteïne-A1 Lipoproteïne(a) Lathosterol Histidine-rijk
glycoproteïne |
Ouders 29 37 98/93 29 |
Kinderen
81
82
98/93**
29*** |
||||||||
|
Sport Roken |
|||||||||||
|
Deelname
aan sportactiviteiten (gemeten in 90 tweelingparen en hun ouders) en
rookgedrag (gemeten in 1600 tweelingparen en ouders) |
|||||||||||
|
|
Erfelijkheid |
Gemeenschappelijke |
|||||||||
|
|
Sport |
64 |
0 |
||||||||
|
|
Roken |
39 |
53 |
||||||||
*
Schattingen
op grond van univariate analyses. De multivariate genetische analyses lieten ook
een effect zien
van gemeenschappelijke omgevingsfactoren voor SBP in jongens en meisjes
en voor DBP in meisjes, met name voor bloeddruk gemeten tijdens rust
** Het eerste getal is de
schatting voor mannen, het tweede voor vrouwen.
*** Voor lathosterol was ook sprake
van gemeenschappelijke omgevingsinvloeden die 37% van de totale variantie
verklaarden.
Respiratoire sinus aritmie, systolische
en diastolische bloeddruk
Respiratoire sinus aritmie (RSA) geeft de cyclische variaties in hartslag weer
als gevolg van ademhaling en is een index van de vagale beïnvloeding van het
hart. Een hoge RSA wordt gezien als een indicator van goede gezondheid, zowel
wat betreft het functioneren van het cardiovasculaire systeem als van het
centrale zenuwstelsel. De erfelijkheid van RSA bleek in belangrijke mate af te
hangen van de omstandigheden waaronder RSA werd gemeten. De relatieve invloed
van erfelijke factoren was twee keer zo hoog tijdens stressvolle
laboratoriumtaken als tijdens rustperioden. Uit multivariate analyses bleek dat
de hoeveelheid genetische variantie in RSA hetzelfde was tijdens rust en stress
taken, maar dat de omgevingsvariantie aanzienlijk verminderde tijdens mentale
stress taken. Multivariate genetische modellen lieten ook zien dat tijdens rust
en taak dezelfde genen tot expressie komen. Individuele verschillen in vagale
tonus die afhankelijk zijn van het genotype, kunnen dus nauwkeuriger worden
vastgesteld tijdens stress dan tijdens rust.
Dergelijke effecten van mentale stress waren ook aanwezig voor bloeddruk. In de
univariate genetische analyses werden geen verschillen tussen jongens en meisjes
gevonden voor de mate waarin bloeddruk beïnvloed werd door erfelijke factoren.
Uit multivariate analyses bleek dat de intercorrelaties tussen bloeddrukwaarden
gemeten in de verschillende condities lager waren voor meisjes dan voor jongens.
Daarom werden de multivariate genetische analyses apart uitgevoerd voor meisjes
en jongens. Deze analyses lieten zien dat de erfelijkheid van systolische en
diastolische bloeddruk in beide sexen en van diastolische bloeddruk in vrouwen
hoger was tijdens stressvolle taken dan tijdens rust en dat de invloed van
gemeenschappelijke omgevingsfactoren juist afnam tijdens stress taken. Voor
diastolische bloeddruk in mannen werd geen invloed van gemeenschappelijke
omgevingsfactoren gevonden.
Cholesterol, lipoproteïnen en
apolipoproteïnen
Voor alle lipide, lipoproteïne en apolipoproteïne parameters werden grote
verschillen in fenotypische variantie en erfelijkheid tussen generaties
gevonden. Het model dat de beste verklaring gaf voor deze verschillen in
variantie en voor de overeenkomsten tussen tweelingen en tussen ouders en
kinderen, gaf aan dat er een significante toename was in de invloed van
omgevingsfactoren als mensen ouder worden. De hoeveelheid genetische variantie
was ongeveer even groot in de volwassen ouders als in hun adolescente kinderen.
Omdat erfelijkheid een relatieve maat is (genetische variantie gedeeld door
totale variantie) neemt de erfelijkheid van de lipide, lipoproteïne en
apolipoproteïne parameters af met het ouder worden. Deze analyses zijn echter
gebaseerd op de assumptie dat in beide generaties dezelfde genen tot expressie
komen. Om de correlatie te schatten tussen de genetische invloeden die tijdens
de adolescentie en daarna tot uitdrukking komen zijn longitudinal data van
genetisch verwante proefpersonen nodig. Een alternatief voor een longitudinale
studie zou zijn het bestaande ouder-tweeling design uit te breiden met data van
volwassen tweelingen. In dat geval kan de invloed van genetische factoren apart
worden geschat voor elke generatie, op basis van de gegevens van adolescente en
volwassen tweelingen. Als in iedere generatie de erfelijkheid van de lipide en
andere parameters bekend is, kan de ouder-kind correlatie worden gebruikt om de
correlatie te schatten tussen genetische invloeden die tijdens de adolescentie
en de volwassenheid tot expressie komen (Stalling, Baker & Boomsma, 1989).
Op overeenkomstige wijze kan de stabiliteit van de omgevingsinvloeden worden
onderzocht. Een dergelijk onderzoek wordt op dit moment uitgevoerd. Bovendien
kan met de gegevens van oudere tweelingen worden onderzocht of een gedeelte van
de toename in omgevingsvariantie moet worden toegeschreven aan een interactie
tussen genotype en omgeving (GxE interactie). In de gebruikelijke covariantie
structuur modellen kan deze vorm van interactie niet worden onderscheiden van de
random omgevingscomponent. Met multivariate cholesterol data van adolescente
tweelingen en hun ouders, en van een ouder tweelingcohort kunnen individuele
factor scores worden berekend, die kunnen worden aangewend om te onderzoeken of
er sprake is van GxE interactie (Molenaar & Boomsma, 1987).
Lipoproteïne(a)
Recent onderzoek suggereert dat een aanzienlijk deel van het risico op hart-
en vaatziekten dat voorspeld kan worden op grond van het voorkomen van hart- en
vaatziekten in de familie, verklaard kan worden door variantie in plasma
lipoproteïne(a) [Lp(a)] concentraties. Zo werden door Hoefler et al. (1988)
significante verschillen gevonden in Lp(a) niveau tussen een groep personen van
wie de ouders een hartaanval achter de rug hadden en een controle groep van
dezelfde leeftijd. Voor andere lipiden en lipoproteïnen werden geen verschillen
tussen beide groepen gevonden. Durrington
et al. (1988)
voerden een discriminant analyse uit op gegevens van infarct patiënten en een
controlegroep. De resultaten lieten zien dat apolipoproteïne(a), het essentiële
eiwitonderdeel van Lp(a), even informatief was als voorkomen van hart- en
vaatziekten in de familie om beide groepen te onderscheiden. In ons onderzoek
was de erfelijkheid van plasma Lp(a) concentraties hoger dan van enige andere
variabele. Er waren geen verschillen tussen generaties in erfelijkheid van
Lp(a). Het grootste gedeelte van de genetische bijdrage aan de variantie in
Lp(a) concentraties kan waarschijnlijk worden toegeschreven aan het zeer
polymorfe apo(a) locus dat ligt op chromosoom 6. De apo(a) fenotypes van alle
proefpersonen die hebben meegedaan aan ons onderzoek worden op dit moment
bepaald. Als deze informatie beschikbaar is, zal het mogelijk zijn om nauwkeurig
de bijdrage van het apo(a) locus te kwantificeren tegen de achtergrond van de
bijdragen van andere genen.
Lathosterol, campesterol en b-sitosterol
Lathosterol is een afspiegeling van de cholesterol synthesesnelheid in vivo. Dit
is een van de weinige variabelen in ons onderzoek waarvoor een belangrijke
bijdrage werd gevonden van voor broers en zussen gemeenschappelijke
omgevingsfactoren. Daarnaast was sprake van een vrij lage erfelijkheid.
Variantie in plasma campesterol en b-sitosterol
concentraties werd in hoge mate beïnvloed door erfelijke factoren. Voor deze
twee plantsterolen werd geen beïnvloeding door gemeenschappelijke
omgevingsfactoren gevonden. Campesterol en b-sitosterol
reflecteren beide de cholesterolopname uit voedsel en worden niet door het
lichaam zelf aangemaakt. Slechts een klein deel van deze in het voedsel
aanwezige sterolen wordt door het lichaam opgenomen. Onze resultaten doen sterk
vermoeden dat dit opnameproces genetisch wordt gestuurd. Het feit dat personen
uit een gezin, die deelnamen aan ons onderzoek, essentiëel hetzelfde
voedingspatroon bleken te hebben, was geen factor van belang voor verschillen in
plasma concentraties van deze plantsterolen.
Histidine-rijk glycoproteïne
Histidine-rijk glycoproteïne (HRG) is een niet-enzymatisch eiwit dat
betrokken is bij de bloedstolling en dat wordt beschouwd als een remmer van de
fibrinolyse (het oplossen van bloedstolsels), maar waarvan de fysiologische
functie nog niet bekend is. Verhoogde plasma HRG niveaus zijn waargenomen bij
enkele families met familiale trombose en bij een kleine groep hartinfarct patiënten.
Uit ons onderzoek blijkt dat de familiale verhoging van HRG niveaus moet worden
toegeschreven aan genetische invloeden die door ouders worden doorgegeven aan
hun kinderen. Genetische invloeden verklaren het grootste gedeelte van de
variantie in plasma HRG concentraties. De mate van erfelijkheid was dezelfde in
mannen en vrouwen, en in ouders en kinderen. Deze hoge erfelijkheid
rechtvaardigt het zoeken naar zogenaamde QTL's (quantitative trait loci:
plaatsen op een chromosoom die van invloed zijn op kwantitatieve kenmerken) dat
op dit ogenblik plaats vindt. Het zoeken naar mogelijke niet-genetische oorzaken
van verhoogde HRG niveaus dient zich te bewegen in de richting van factoren
buiten de directe gezinsomgeving.
Sporten
Gegevens over deelname aan sport werden geanalyseerd voor de eerste 90
gezinnen uit dit onderzoek. Een belangrijk deel van de verschillen tussen
individuen in deelname aan sportactiviteiten kon worden verklaard door
genetische factoren. Er werden geen verschillen gevonden tussen mannen en
vrouwen of tussen ouders en kinderen in de mate waarin genetische factoren
bijdragen aan de variantie in sport deelname. Er bleek geen sprake van culturele
overdracht van ouders op kinderen, maar bij vrouwelijke tweelingen was er
aanleiding te veronderstellen dat gedeelde omgevingsinvloeden een rol speelden.
Weliswaar laat het aantal tweelingparen en hun ouders waarvan de gegevens werden
geanalyseerd te wensen over, maar de resultaten van een veel grotere groep
bestaande uit 1600 Nederlandse tweelingparen en hun ouders wijzen in dezelfde
richting (Koopmans, Van Doornen & Boomsma, submitted). In deze grotere groep
kon 45% van de variantie in sportdeelname worden toegeschreven aan genetische
factoren en 44% aan gemeenschappelijke omgevingsinvloeden. Deze
omgevingsinvloeden verschilden echter voor jongens en meisjes. In deze nieuwe
studie was evenmin sprake van culturele overdracht van sportgedrag van ouders op
kinderen.
Roken
Rookgedrag werd met een vragenlijst gemeten bij 1600 tweelingparen en hun
ouders. De invloeden van gemeenschappelijke omgevingsfactoren bleken een
belangrijkere determinant te zijn om te beginnen met roken dan die van
genetische factoren. Er waren geen verschillen tussen jongens en meisjes in de
mate waarin genetische en niet-genetische factoren individuele verschillen in
rookgedrag beïinvloeden. Omgevingsfactoren die de overeenkomsten tussen zusjes
beïnvloeden, bleken echter slechts gedeeltelijk gecorreleerd met de
omgevingsinvloeden die overeenkomsten tussen broers bewerkstelligen. Met behulp
van tweelingdata kan worden onderzocht of het gedrag van broers en zusjes
rechtstreeks van invloed is op het gedrag van andere kinderen uit hetzelfde
gezin. Dergelijke effecten werden niet gevonden voor rookgedrag. Voor een andere
variabele uit dit onderzoek, namelijk type-A gedrag, werd bij de mannelijke
tweelingen wel zo'n effect geconstateerd (Sims et al., 1991). Rokende ouders
oefenen geen directe invloed uit op het rookgedrag van hun kinderen. Weliswaar
waren er significante, maar lage, overeenkomsten tussen ouders en kinderen voor
al dan niet roken, maar deze overeenkomsten bleken geheel verklaard te kunnen
worden uit de genetische verwantschap tussen ouders en kinderen. Aan de ouders
werd gevraagd of ze op het moment van het onderzoek rookten en of ze vroeger
ooit hadden gerookt. Het was opmerkelijk dat de overeenkomsten tussen ouders en
kinderen even groot waren als het rookgedrag van kinderen werd vergeleken met
het antwoord op de eerste vraag als met het antwoord op de tweede vraag. Dit
onderstreept nog eens de conclusie dat rokende ouders het roken van hun kinderen
niet direct beïnvloeden.
Bloeddruk en alfa-1-antitrypsine
Op chromosoom 14 ligt het alfa-1-antitrypsine (AAT) locus dat zeer polymorf
is. Het meest voorkomende allel is het M allel, maar ook de S en Z allelen komen
frequent voor. S en Z allelen leiden tot een verlaging van AAT concentraties in
plasma, met name bij personen die homozygoot zijn voor deze allelen. Ernstige
AAT tekorten zijn geassocieerd met een aantal aandoeningen waaronder juveniele
levercirrose en emfyseem. In ons onderzoek hebben we een gunstig effect gevonden
van S en Z allelen op de bloeddruk. Dit effect was het sterkst bij de vaders van
de tweelingen.
Voor systolische bloeddruk konden de verschillen tussen MM homozygoten en MZ en
MS heterozygoten oplopen tot 11 mmHg. Bovendien hadden niet-MM mannen niet
alleen een lagere bloeddruk tijdens rust, maar waren ze ook minder reactief met
hun bloeddruk tijdens mentale stress taken. We zagen een zelfde trend bij de
moeders van de tweelingen uit ons onderzoek, maar niet bij de tweelingen zelf.
Dit is de eerste keer dat een effect van AAT allelen op bloeddruk is gevonden.
Dit resultaat is vervolgens gerepliceerd in een 10-jaar oude Australische data
set. Bij Australische mannelijke tweelingen (die gemiddeld slechts 9 jaar ouder
waren dan de tweelingen uit ons onderzoek) maar niet bij vrouwelijke tweelingen,
werd hetzelfde effect van S en Z allelen op systolische en diastolische
bloeddruk waargenomen. Deze resultaten suggereren dat er sprake is van een
complexe interactie tussen sexe, leeftijd en AAT allelen op bloeddruk.
Algemene Conclusies
De familiale overeenkomsten die werden geconstateerd voor risicofactoren die
zijn geassocieerd met het onstaan van hart- en vaatziekten bleken voor de meeste
variabelen te verklaren op grond van de genetische verwantschap tussen ouders en
kinderen. Voor sommige variabelen uit ons onderzoek -RSA, lathosterol, de
plantsterolen, plasma apolipoproteïne E niveaus, histidine-rijk glycoproteïne-
is dit de eerste keer dat hun erfelijkheid is onderzocht in een groep gezonde
proefpersonen uit de Nederlandse bevolking. Voor andere variabelen, zoals
bijvoorbeeld rookgedrag, is het de eerste keer dat hun erfelijkheid is
onderzocht in een groep adolescente tweelingen en hun ouders.
Bij de meeste cardiovasculaire risicofactoren was de invloed van de
gemeenschappelijke gezinsomgeving niet groot, ook al bestond onze
onderzoeksgroep geheel uit ouders en kinderen uit dezelfde huishouding.
Significante invloeden van gemeenschappelijke omgevingsfactoren werden gevonden
voor bloeddruk, lathosterol, deelname aan sport en roken. Uit de analyse van de
ouder-kind gegevens voor lathosterol en de beide gedragsvariabelen, bleek dat de
relevante omgevingsfactoren wel overeenkomsten tussen kinderen uit een gezin
bewerkstelligden, maar niet tussen ouders en kinderen. De overeenkomsten tussen
ouders en kinderen konden geheel worden verklaard op grond van hun genetische
verwantschap. Gemeenschappelijke omgevingsinvloeden op de bloeddruk werden
overwegend vastgesteld bij de meting van de bloeddruk tijdens rust.
De afwezigheid van gemeenschappelijke omgevingsfactoren betekent dat we buiten
de directe gezinsomgeving zullen moeten zoeken naar oorzaken van variantie in
cardiovasculaire risicofactoren. De interactie tussen genotype en omgeving (GxE
interactie) is mogelijk zo'n oorzaak van random omgevingsvariantie. Binnen onze
kwantitatieve genetische benadering, die is gebaseerd op het LISREL model, is
het mogelijk om de aanwezigheid van dergelijke interacties vast te stellen met
een recent ontwikkelde techniek, die kan worden toegepast op multivariate
fenotypes. Deze techniek is niet afhankelijk van het meten van genotype of
omgeving en is daardoor bijzonder geschikt voor toepassingen binnen humaan
onderzoek. Daarnaast zouden we ook kunnen kijken naar alternatieve bronnen van
variantie, die zich voordoen als specifieke omgevingsinvloeden, maar die in
werkelijkheid te maken hebben met niet-lineaire groeiprocessen (Molenaar, 1992).
Bij alle risicofactoren hebben we uitgebreid gezocht naar sexe-specifieke
verschillen in de genetische architectuur. We hebben echter weinig verschillen
aangetroffen. De
erfelijkheid van de meeste cardiovasculaire risicofactoren die we hebben
onderzocht in adolescente tweelingen was hoog. Voor bijna alle onderzochte
variabelen lag de erfelijkheid boven de 50%. Gezien deze hoge mate van erfelijke
bepaaldheid, is er alle aanleiding om te zoeken naar zogenaamde 'major genes'
die een gedeelte van de variantie in continue variabelen zouden kunnen
verklaren.