A genetic perspective on the developing brain: Electrophysiological indices of neural functioning in five to seven year old twins
Samenvatting
De
vier artikelen in deze dissertatie zijn gebaseerd op een grote longitudinale
studie naar interindividuele verschillen in hersenfunctioneren van 209 jonge
tweelingparen. Deze 418 kinderen ondergingen een uitgebreid
elektrofysiologisch onderzoek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam op
zowel vijf- als zevenjarige leeftijd. Met dit onderzoek werd inzicht verkregen
in de genetische architectuur van individuele verschillen in een aantal elektroencefalografische
parameters die worden beschouwd als indices van rijping van de hersenen en als
mogelijke correlaten van gedrag en cognitie. Een tweetal vragen stond centraal.
Ten eerste, wat is de relatieve bijdrage van erfelijke en omgevingsinvloeden op
interindividuele verschillen in de elektrofysiologische parameters van
hersenfunctioneren in jonge kinderen? Ten tweede, hoe veranderen deze invloeden
in een periode in de kindertijd die bekend staat als een periode van versnelde
ontwikkeling?
Als eerste werden de relatieve invloeden van genetische en
omgevingsfactoren op hersenfunctioneren vastgesteld op vijfjarige leeftijd. De
tweelingmethode is hiertoe zeer geschikt. Gegevens over een-eiige (MZ) en
twee-eiige (DZ) tweelingen kunnen gebruikt worden voor het vaststellen van zowel
erfelijke als (gezins-)omgevingsinvloeden op interindividuele verschillen.
De verschillen in een bepaalde eigenschap binnen MZ tweelingparen worden
vergeleken met de verschillen binnen DZ tweelingparen. MZ tweelingen zijn 100%
genetisch identiek, terwijl DZ tweelingen gemiddeld slechts 50% genetisch
verwant zijn, net als gewone broers en zussen. Verschillen tussen de twee
kinderen van een MZ tweeling kunnen dus alleen verklaard worden door verschillen
in unieke omgevingsfactoren, terwijl verschillen tussen de kinderen van een DZ
tweeling veroorzaakt kunnen worden door de unieke omgeving, maar ook door
verschillende genen. Voor beide paren geldt dat overeenkomsten binnen een
tweelingpaar veroorzaakt kunnen worden door gemeenschappelijke erfelijke
factoren, maar ook door systematische effecten van een gedeelde (gezins)omgeving.
Deze onderlinge relaties vormen de basis voor het bepalen van de relatieve
invloed van genetische en omgevingsinvloeden op interindividuele
verschillen in een gemeten eigenschap. De genetische invloed wordt vaak
uitgedrukt in de erfelijkheid van een eigenschap (h2), ofwel de
proportie genetische variantie van de totale variantie.
Met
de tweelingmethode kan op kwantitatieve wijze worden beschreven wat de relatieve
invloed is van 'nature' en 'nurture' op indices van hersenontwikkeling in
kinderen. Zoals te verwachten was, bleken zowel de bijdragen van omgeving als
van erfelijke factoren van belang voor de interindividuele verschillen in alle
elektroencefalografische indices van hersenfunctioneren. Echter, de invloed
van de genetische factoren bleek voor de meeste indices veel groter dan de
invloed van de omgeving.
In hoofdstuk 2 werd een hoge tot zeer hoge erfelijkheid gerapporteerd
voor de absolute en relatieve power
van zes verschillende frequentiebanden in het EEG-spectrum. Absolute EEG-power
van een frequentieband geeft aan hoeveel variantie in het EEG-signaal toe te
schrijven is aan cyclische variaties met frequenties die in die band vallen.
Relatieve EEG-power drukt uit wat het relatieve belang van die frequentieband is
ten opzichte van de vijf andere frequentiebanden. Het is bekend dat het EEG
sterk verandert met de leeftijd, van een signaal met vooral veel langzame golven
in jonge kinderen, naar een signaal met wat snellere golven in volwassenen.
De dominante EEG-frequentie ligt rond 10 Hz in volwassenen, terwijl dit
in kinderen rond 7 Hz ligt. EEG-power wordt daarom vaak gebruikt als maat voor
hersenrijping (maturatie). Op zowel vijf- als zevenjarige leeftijd bleken
absolute en relatieve EEG-parameters zeer sterk erfelijk te zijn: gemiddeld was
de erfelijkheid 70%. EEG-power (absoluut en relatief) behoort daarmee tot de
meest erfelijke karakteristieken gevonden in kinderen.
In hoofdstuk 3 bleken interindividuele verschillen in amplitude en
latentie van de P3 Event Related Potential (ERP) te worden beïnvloed door zowel
genetische als unieke omgevingsfactoren. ERPs zijn elektrofysiologische
hersenreacties op een bepaalde gebeurtenis, zoals het zien van een plaatje of
het horen van een toon. De P3 treedt op bij de evaluatie van de relevantie van
een stimulus, zoals in de in dit onderzoek gebruikte visuele 'oddball' taak. In
deze taak worden frequente, nontarget-stimuli ('hondjes') afgewisseld met meer
zeldzame, target-stimuli ('katjes') die door de kinderen moeten worden geteld.
Het bleek dat de scoring van de P3 bij vijfjarige kinderen, en in mindere mate
ook bij zeven-jarige kinderen niet eenvoudig was. Dit resulteerde in een vrij
hoge meetfout. Omdat meetfouten van de P3 de schatting van erfelijke en
omgevingsinvloeden ongunstig beïnvloeden, werd in een multivariaat genetisch
model een schatting gemaakt van het betrouwbare deel van deze invloeden. Gebruik
makend van dit model werd gevonden dat de erfelijkheid van P3 amplitudes op
target-stimuli zeer laag was, terwijl de erfelijkheid van P3 amplitudes op
nontarget-stimuli juist redelijk hoog was. Dit kan er op wijzen dat responsen op
zeldzame gebeurtenissen (selectieve attentie) meer door de omgeving beïnvloed
worden dan frequente gebeurtenissen. De erfelijke effecten op target P3
amplitudes werden echter wel veroorzaakt door dezelfde genetische factoren als
de erfelijke effecten op nontarget P3 amplitudes. Omdat P3 amplitude vaak is
gebruikt als indicator van klinische afwijkingen, zoals autisme of alcoholisme,
impliceert dit dat een genetische marker voor dit gedrag makkelijker kan worden
gevonden met P3 amplitudes in reactie op nontarget-stimuli dan op target-stimuli.
De erfelijkheid van latentie van de P3, een maat die samenhangt met individuele
verschillen in snelheid van informatieverwerking, was matig tot redelijk hoog
(gemiddeld 34% voor vijfjarigen en 70% voor zeven-jarigen). Dit gold zowel voor
targets als voor nontargets, die door dezelfde genetische factoren werden beïnvloed.
In hoofdstukken 4 en 5 werd de genetische architectuur van EEG-coherentie
bestudeerd. Coherentie is de overeenkomst tussen twee EEG-signalen op
verschillende elektrodeposities. Het wordt gebruikt als index van functionele
verbindingen tussen verschillende regio's van de hersenen, bijvoorbeeld
tussen de frontale gebieden onderling (Fp1-F3) of tussen de frontale gebieden en
de visuele schors (Fp1-O1). Uit de
resultaten bleek een onderscheid in de invloed van genetische factoren op lange
en korte afstanden: voor coherenties tussen elektrodes die relatief dicht bij
elkaar lagen was de erfelijkheid lager dan voor de coherenties tussen elektrodes
die verder van elkaar lagen. De gemiddelde erfelijkheid van coherentie op beide
leeftijden op de kortste afstand (7 cm) was 46%, terwijl dat op de langste
afstand (28 cm) 69% was. Ook werd
een verschil in type genetische invloed gevonden tussen lange en korte afstand
coherenties, hoewel dit alleen afdoende getoetst is op vijfjarige leeftijd. De
interindividuele verschillen in coherentie op korte afstand werden alleen door
additieve genetische factoren beïnvloed, terwijl interindividuele verschillen
in coherentie over langere afstand ook door dominante genetische factoren werden
beïnvloed (dominante genetische factoren zijn factoren die interactie-effecten
tussen genen aangeven). De verschillen in erfelijkheid van lange en korte
afstand coherentie kunnen worden opgevat als een bevestiging voor het
twee-compartiment model van Thatcher (Thatcher et al., 1986) waarin
coherentie wordt verklaard uit de interactie tussen lokale neuronale
netwerken en axonale verbindingen uit verder weg gelegen gebieden. Als de
elektrodes relatief dicht bij elkaar liggen (tot 14 cm) dan wordt de coherentie
tussen twee gebieden door beide compartimenten bepaald. Als ze verder weg
liggen, leveren alleen de lange cortico-corticale verbindingen een bijdrage aan
de coherentie.
Het bovenstaande geeft duidelijk aan dat erfelijkheid een belangrijke rol
speelt in hersenfunctioneren. Echter, de hoofdvraag van deze dissertatie was of
er in de periode van vijf tot zeven jaar belangrijke veranderingen zouden
optreden in de genetische architectuur. In deze periode gaan de kinderen naar de
basisschool, wat de invloed van zowel gezamenlijke als unieke omgevingsfactoren
kan veranderen. Tevens valt deze periode samen met een sterke rijping van de
grijze en witte hersenstof. Voorts is bekend dat in deze periode belangrijke
kwalitatieve veranderingen in cognitie optreden en dat de genetische
architectuur van intelligentie verandert. De kwalitatieve veranderingen in
cognitie zijn beschreven door Piaget. Rond het zesde levensjaar maken kinderen
een cognitieve groeisprong, waarin ze bijvoorbeeld gaan begrijpen dat het
volume van water niet verandert als het van een hoog smal glas in een lang breed
glas wordt overgegoten (volume-conservatie). In dezelfde periode blijkt de
erfelijkheid van IQ toe te gaan nemen en treden nieuwe genetische invloeden op
IQ aan het licht. De leeftijd van 5 tot 7 jaar lijkt dus optimaal te zijn om
veranderingen in de determinanten van interindividuele verschillen in
hersenfunctioneren te onderzoeken. Twee vragen stonden daarbij centraal: Ten
eerste, hoe veranderen de relatieve bijdragen van genetische (h2) en
omgevingsinvloeden van leeftijd 5 jaar naar leeftijd 7 jaar? Ten tweede, zijn
er nieuwe genetische factoren, die geen invloed hadden op interindividuele
verschillen in EEG-parameters van vijfjarige kinderen, maar die wel invloed
hebben op interindividuele verschillen in EEG-parameters van diezelfde kinderen
op zeven-jarige leeftijd?
Gemiddeld 1 jaar en 7 maanden na de eerste meting werd het EEG van 192
van de 209 tweelingparen een tweede keer gemeten. Uit hoofdstuk 3 blijkt dat de
erfelijkheid van P3 amplitude niet veranderde in de leeftijd van 5 tot 7 jaar.
Ook waren er geen aanwijzingen voor het optreden van nieuwe genetische invloeden
op de P3 amplitude op zeven-jarige leeftijd. Wel leek de erfelijkheid van de P3
latentie toe te nemen van 5 naar 7 jaar. Mogelijk hing deze toename samen met
het optreden van nieuwe genetische invloeden op 7 jaar, hoewel die slechts
voor 2 van de 6 bestudeerde elektrodeposities (Cz, P3) significant waren. Het
grootste gedeelte van de genetische factoren die op zeven-jarige leeftijd van
invloed waren op de P3 latentie, werden reeds op vijfjarige leeftijd gevonden.
Al met al werd er dus geen sterke aanwijzing gevonden voor kwalitatieve veranderingen
in de P3 generatoren in deze leeftijdsperiode.
In hoofdstuk 5 werden de veranderingen in de erfelijkheid van coherentie
van 5 naar 7 jaar getoetst. Bovendien werd gekeken of de totale genetische en de
totale omgevingsvariantie in de tijd veranderde. Dit leverde een verrassend
patroon op, dat is samengevat in Tabel 5.5. De veranderingen in erfelijkheid
en varianties in de coherenties tussen prefrontale elektrodes en elektrodes meer
naar het achterhoofd waren anders dan die in de coherenties tussen de occipitale
elektrodes en elektrodes meer naar het voorhoofd. Afhankelijk van de richting
waarin de coherentie werd gemeten was er ook een verschil tussen de linker en
rechter hersenhelft. Erfelijkheid nam in beide hersenhelften toe voor
coherenties van achter naar voor op het hoofd. Erfelijkheid nam in de linker
hersenhelft af van voor naar achter op het hoofd, maar bleef hetzelfde in de
rechter hersenhelft. Dit patroon sluit aan bij het idee dat de linker en
rechter hersenhelft verschillend rijpen en dat de connecties van
frontaalschors naar parietale en centrale regio's later rijpen dan de connecties
van de occipitale schors naar parietale, centrale en frontale regio's.
Individuele verschillen in deze rijping kunnen een weerspiegeling zijn van verschillen
in processen als myelinizatie en ontstaan en afbraak van synapsen. De duidelijke
genetische invloed op die verschillen is niet verwonderlijk omdat deze
processen worden gereguleerd door eiwitten waarvan de regulatie zelf weer
afhankelijk is van het genotype van het individu.
Net als bij de P3, bleken de genetische invloeden op de coherentie in de
leeftijd van 5 tot 7 jaar grotendeels stabiel. Nieuwe genetische factoren op
leeftijd 7 jaar werden gevonden voor 10 van de 14 elektrodecombinaties.
Echter, deze nieuwe genetische factoren verklaarden slechts een klein deel van
de genetische variantie in coherentie: de genetische invloeden op leeftijd 5
jaar waren nog steeds verantwoordelijk voor het grootste gedeelte van de
genetische variantie op leeftijd 7 jaar. Dit suggereert dat er van 5 tot 7 jaar
geen overheersende kwalitatieve veranderingen in verbindingen tussen de hersengebieden
optreden.
Deze dissertatie suggereert verschillende mogelijkheden voor
vervolgonderzoek. Allereerst blijkt duidelijk dat EEG-indices goed gebruikt
kunnen worden om zogenaamde QTL's (Quantitative Trait Loci) te vinden, die een
invloed uitoefenen op interindividuele verschillen in hersenfunctioneren. Dit
linkage-onderzoek is de eerste stap op weg naar de identificatie van individuele
genen en hun effect op eiwitten die een rol spelen bij neurofysiologische
processen. Linkage wordt beter mogelijk naarmate de bestudeerde eigenschap
meer erfelijk is. De EEG-indices die besproken zijn in deze dissertatie voldoen
aan die voorwaarde, met uitzondering van P3 target amplitude. Bovendien neemt de
statistische power voor linkage toe als een multivariaat design gebruikt kan
worden. Bij EEG-indices is dit goed mogelijk omdat het EEG op verschillende
elektrodelokaties verzameld wordt. Ten tweede kan in vervolgonderzoek
worden gekeken naar de relatie tussen veranderingen in EEG-parameters en
cognitieve vaardigheden. Bij de tweelingen in dit project zijn bijvoorbeeld ook
een intelligentie-test en een test voor volume-conservatie afgenomen. Het is
goed mogelijk de gebruikte genetische modellen uit te breiden om de aard van de
relaties tussen EEG-parameters en cognitieve vaardigheden vast te stellen.
Wanneer zo'n relatie overwegend erfelijk blijkt te zijn, kunnen de chromosomale
regio's waarin QTL's voor elektrofysiologische maten werden gevonden zelfs als
startpunt worden genomen om genen te lokaliseren voor cognitie.