Genetic epidemiology of risk factors for coronary heart disease. A study of middle-aged twins
Samenvatting
Inleiding
Het is een bekend gegeven dat hart- en vaatziekten (HVZ) vaak in dezelfde
families voorkomen. Dit familiale
risico op HVZ zou theoretisch veroorzaakt kunnen worden door (een combinatie
van) twee effecten: erfelijke factoren of gemeenschappelijke factoren in de
omgeving (bijv. gezinsinvloeden). Uit
tweelingstudies blijkt dat gemeenschappelijke genen een grotere invloed hebben
op sterfte aan HVZ dan een gedeelde (gezins)omgeving.
Resultaten van verdere studies wijzen erop dat het genetisch risico op
HVZ slechts gedeeltelijk verklaard kan worden door de erfelijkheid van bekende
(traditionele) risicofactoren zoals hypertensie, roken en cholesterol. Andere
risicofactoren, die de tussenliggende stappen representeren in het causale pad
van genen tot het uiteindelijke ontstaan van HVZ, moeten daarom in overweging
worden genomen. Kandidaten voor deze intermediaire risicofactoren welke zijn
besproken in deze dissertatie, zijn stress-reactiviteit, insuline en de vagale
controle van het hart.
Het duidelijke verschil in HVZ-incidentie tussen mannen en vrouwen en
veranderingen in het risicoprofiel met de leeftijd, impliceren dat de invloed
van genen en omgeving op risicofactoren voor HVZ ook van sexe en leeftijd
afhankelijk zouden kunnen zijn. Deze dissertatie heeft zich dan ook op twee
vragen geconcentreerd: 1) Wat is de relatieve bijdrage van genetische en
omgevingsinvloeden op intermediaire en traditionele risicofactoren? En 2) Zijn
deze bijdragen afhankelijk van sexe en leeftijd? Om dit te kunnen onderzoeken
werden risicofactoren gemeten in vijf groepen tweelingen van middelbare
leeftijd, onderverdeeld naar zygositeit en sexe. Naast groepen mannelijke en
vrouwelijke tweelingen van gelijke sexe omvatte de steekproef ook een groep
tweelingen van ongelijke sexe. De stabiliteit van genetische invloed over de
leeftijd kon worden getoetst door de gegevens van de tweelingen van middelbare
leeftijd in dit project te combineren met gegevens van een eerder project waarin
ouders tezamen met hun tweelingkinderen werden gemeten.
Respiratoire
Sinus Aritmie
De Respiratoire Sinus Aritmie (RSA) is de variatie van de hartslag zoals deze
door de ademhaling wordt veroorzaakt. Het is een gevoelige, non-invasive index
door de vagale controle van het hart. Een sterke RSA, gekarakteriseerd door een
grote hartslagvariabiliteit, wordt gezien als een indicator voor de gezondheid
van het hart. Een verminderde hartslagvariabiliteit hangt samen met hartziekte
en hypertensie. Een zwakke RSA kan daarom worden beschouwd als een intermediaire
risicofactor voor HVZ. Verder is het zo dat RSA afneemt met de leeftijd en onder
invloed van psychologische stress. In het tweede hoofdstuk werden schattingen
van de genetische en omgevingsinvloeden op de RSA vergeleken tussen een
restconditie en condities van mentale en fysieke stress, terwijl rekening
gehouden werd met de invloed van leeftijd en ademhalingsfrequentie op de RSA. In
alle experimentele condities konden individuele verschillen het best verklaard
worden dooradditief genetische en unieke omgevingsinvloeden, onafhankelijk van
leeftijd en ademhalingsfrequentie. Deze factoren beïnvloeden de RSA in gelijke
mate in beide sexen. De totale genetische invloed op de RSA varieerde tussen de
28% en 43% over de experimentele condities. Hoewel er een grotere afname in de
invloed van unieke omgevingsfactoren op de RSA verwacht werd bij stressvollere
taken, werd dit door de resultaten niet bevestigd. De erfelijkheidsschattingen
van de RSA tijdens de verschillende stresscondities bleken namelijk niet
systematisch groter te worden met de grootte van de stressresponse op de taken.
Correctie voor de invloed van de ademfrequentie bleek nauwelijks effect te
hebben op de grootte van de RSA-erfelijkheidsschattingen. De covariantie tussen
de ademfrequentie en de RSA, welke in alle condities werd gevonden, kan worden
toegeschreven aan een combinatie van gecorreleerde unieke omgevingsfactoren en
gecorreleerde additief genetische factoren.
Nuchtere insuline
Het derde hoofdstuk stelde de vraag aan de orde in welke mate genetische en
omgevingsfactoren een andere intermediaire risicofactor, namelijk nuchtere
insuline, beïnvloeden. In populatiestudies wordt nuchtere insuline beschouwd
als de beste maat voor insulineresistentie, welke op zijn beurt een voorloper is
van zowel niet-insuline-afhankelijke diabetes mellitus als ook, via het
insulineresistentie syndroom (syndroom X), van HVZ. Bovendien werd in hoofdstuk
3 getest of de homeostatische regulatie door insuline van de glucoseconcentratie
in het bloed, het best verklaard kon worden door een enkelvoudig causaal pad van
insuline naar glucose (of omgekeerd) of door twee reciproke paden (dat wil
zeggen een negatieve terugkoppeling tussen insuline en glucose). Net als voor
RSA liet een model met genetische en unieke omgevingsfactoren de beste
overeenkomst met de data zien. De invloed van erfelijkheid op nuchtere insuline
was klein (21%) en gelijk voor mannen en vrouwen. De interactie tussen insuline
en glucose werd het beste beschreven door een model met reciproke paden.
Stress-reactiviteit
Resultaten betreffende de erfelijkheid van reactiviteit op laboratorium
stresstaken waren inconsistent in deze studie. In hoofdstuk 2 werd beschreven
dat het patroon van tweelingcorrelaties van RSA-reactiviteit onverenigbaar was
met een biologisch plausibel model. In hoofdstuk 4 bleek uit een overzicht van
tweelingstudies en de analyse van onze eigen data dat bloeddrukreactiviteit
matig erfelijk zou kunnen zijn. Er werden echter verschillende resultaten
gevonden voor verschillende stresstaken. De reden voor de inconsistentie in de
bevindingen zou kunnen liggen in de minder betrouwbare bepaling van
reactiviteitsmaten vergeleken met de betrouwbaarheid van de nivo’s van
bijvoorbeeld RSA en bloeddruk. Reactiviteit wordt berekend als het verschil
tussen twee nivo’s, wat de error term doet toenemen. Een andere mogelijkheid
is dat iemands reactiviteit eenvoudigweg een minder betrouwbare
persoonseigenschap is. Zulke beperkte betrouwbaarheden zouden kunnen leiden tot
inconsistente patronen in tweelingcorrelaties en zo tot variabiliteit in
schattingen van genetische en omgevingsinvloeden.
Leeftijdsafhankelijke
genexpressie voor lipiden en bloeddruk
In hoofdstuk 4 en 5 werd onderzocht of de expressie van genen in de kindertijd
verschilt met die tijdens volwassenheid voor fenotypen gerelateerd aan bloeddruk
en metabolisme van lipiden. In beide hoofdstukken werd een overzicht van de
literatuur van tweelingstudies gegeven en erfelijkheidsschattingen van deze
studies werden geordend naar leeftijd van de onderzochte tweelingsteekproeven.
Uit deze gegevens kon worden geconcludeerd dat erfelijkheidschattingen voor
systolische en diastolische bloeddruk, totaal cholesterol, low density
lipoproteine, high density lipoproteine en triglyceriden geen duidelijke
leeftijdstrend laten zien; schattinge waren telkens hoog en bleven redelijk
stabiel met de leeftijd. Erfelijkheidsschattingen waren wat variabeler voor
apolipoproteinen en bloeddrukreactiviteit op de stresstaken. Ook voor deze
variabelen kon geen duidelijke leeftijdstrend worden ontdekt. Voor onze eigen
analyses combineerden wij de data van de tweelingen van middelbare leeftijd met
data van een eerder project waarin ouders en hun tweelingkinderen werden
gemeten. Deze unieke combinatie van gegevens maakte het mogelijk een uitgebreid
ouder-tweeling model te specificeren, waarmee we genetische stabiliteit konden
schatten zonder de beschikking te hebben over longitudinale data. De resultaten
voor bloeddruk, lipiden en lipoproteinen lieten zien dat gedeeltelijk
verschillende genen tot expressie komen tijdens de kindertijd en de
volwassenheid. Bij apolipoproteinen-A1 en –B en lipoproteine(a) zijn het
daarentegen dezelfde genen die tot uiting komen tijdens deze verschillende
levensperioden. De bloeddrukreactivtiteitsdata lieten de toepassing van het
uitgebreide ouder-tweeling model niet toe. Bovenstaande resultaten wijzen erop
dat bloeddruk, lipiden en lipoproteinen waarschijnlijk beïnvloed worden door
een andere combinatie van genen in verschillende perioden van het leven.
Sexe verschillen
Door het opnemen van paren van ongelijke sexe samen met mannelijke en
vrouwelijke paren van gelijke sexe waren we niet alleen in staat te bepalen of
de grootte van genetische en omgevingsinvloeden verschilden tussen de sexen,
maar konden we bovendien testen of verschillende genen tot uiting kwamen in
mannen en vrouwen. Een opmerkelijke bevinding in onze studie was de bijna
complete afwezigheid van sexeverschillen in genetische en omgevingsinvloeden op
de verschillende onderzochte risicofactoren. De grote verschillen in incidentie
en mortaliteit van HVZ tussen de sexen lijkt dan ook niet verklaard te kunnen
worden door sexeverschillen in genetische invloed op de gemeten risicofactoren.
Conclusies
Over het algemeen werden matig tot hoge erfelijkheidsschattingen gevonden voor
de meeste risicofactoren die werden onderzocht in zowel jonge als oudere
tweelingen. De lage schatting voor nuchtere insuline was de enige uitzondering.
De genetische variatie was meestal van additieve aard, dominantie variantie
bleek onbelangrijk. Wat betreft omgevingsfactoren: deze waren altijd specifiek
voor het individu. Geen enkele van de onderzochte variabelen werd door
gemeenschappelijke gezinsfactoren beïnvloed. Voor personen van middelbare
leeftijd zoals de tweelingen in dit onderzoek, is zo’n resultaat enigszins te
verwachten aangezien ze niet meer in het gezin wonen waarin ze zijn opgegroeid.
Samenvattend wijzen de resultaten erop dat individuele verschillen in
risicofactoren voor HVZ voor het overgrote deel verklaard kunnen worden door een
combinatie van blootstelling aan unieke omgeving en multiple genen die op een
additieve wijze hun invloed uitoefenen. Met enig voorbehoud kan daarom gesteld
worden dat preventie van HVZ zich voornamelijk dient te richten op de beïnvloeding
van unieke omgevingsfactoren. Anderzijds betekent de grote invloed van
erfelijkheid zoals die voor de meeste risicofactoren gevonden werd, in geen
geval dat daar niets meer aan te doen zou zijn. Een erfelijke aanleg komt
namelijk pas tot uiting bij bepaalde leefgewoonten. Gedragsinterventies gericht
op (niet) roken, regelmatige lichaamsbeweging en gezonde voeding blijven daarom
van groot belang. Toekomstig onderzoek zal zich meer moeten gaan richten op de
complexiteit van het ontstaan van HVZ welke gekenmerkt wordt door de interactie
tussen meerdere risicofactoren tegelijkertijd. Met behulp van multivariate
modellen van tweelingdata zal onderzocht kunnen gaan worden of de oorzaak van de
relatie tussen verschillende risicofactoren aan genetische dan wel
omgevingsinvloeden kan worden toegeschreven. Verder duidt de grote invloed van
erfelijkheid op de meeste risicofactoren erop, dat het wellicht de moeite loont
in toekomstig onderzoek op zoek te gaan naar de specifieke genen die de
verschillende risicofactoren beïnvloeden. Door tweelingstudies naar
risicofactoren van HVZ uit te breiden met DBNA marker gegevens, wordt het
mogelijk de verschillende genen in kaart te brengen die van invloed zijn op
bijvoorbeeld bloeddruk of componenten van het lipidenmetabolisme. Een dergelijke
studie is onlangs van start gegaan. Multivariate analysetechnieken kunnen
hierbij gebruikt worden om te testen of gecorreleerde risicofactoren beïnvloed
worden door dezelfde genetische factor. Individuele scores voor zo’n
gemeenschappelijke genetische factor kunnen geschat worden, waardoor het
vermogen een bepaald gen te detecteren aanzienlijk toeneemt.