Gezinnen
met jonge tweelingen ontvangen om de 2 jaar een vragenlijst. Deze vragenlijst
bestaat voornamelijk uit beschrijvingen van het gedrag dat de kinderen (kunnen)
vertonen. De lijst kan ingevuld worden door de ouders of door anderen die de
kinderen goed kennen. Degene die de lijst invult, wordt verzocht om aan te geven
in hoeverre de beschrijvingen van toepassing zijn op het gedrag van het kind.
Deze doorlopende studie is het grootste onderzoek naar het ontstaan van gedragsproblemen
van opgroeiende kinderen in Nederland. Het succes van deze studie danken we aan
de medewerking van de vele ouders die bereid zijn de vragenlijsten in te
vullen! Onze dank hiervoor.
Dit
jaar zijn er door Meike Bartels en Marjolein Rietveld twee onderzoeken
afgerond, waarbij gebruik is gemaakt van de vragenlijstgegevens. Ongeveer 6500
gezinnen met tweelingen hebben, vaak meerdere keren, aan het
vragenlijstonderzoek meegedaan. Het onderzoek van Meike heeft zich voornamelijk
gericht op twee verschillende vormen van probleemgedrag, namelijk, ‘naar binnen
gekeerd gedrag’ (internaliserend gedrag, zoals angst en depressie) en ‘naar
buiten gekeerd gedrag’ (externaliserend gedrag, zoals agressie). In Meikes
onderzoek zijn gegevens verwerkt die door zowel de moeder als vader zijn
verstrekt. Marjolein heeft vooral gekeken naar de rapportage van aandachtsproblemen
door de moeder van de tweelingen.
Het
onderzoek van Meike Bartels
Internaliserende en Externaliserende
gedragsproblemen
Vijf
tot vijftien procent van de Nederlandse kinderen in de leeftijd van 3 tot 12
jaar vertonen milde tot ernstige gedragsproblemen. Om inzicht te krijgen in de
oorzaken van gedragsproblemen, de ontwikkeling van gedragproblemen over tijd en
de beste manier van het verzamelen van gegevens over gedragsproblemen heeft Meike
een onderzoek uitgevoerd met de gegevens uit de vragenlijsten die door de
ouders worden ingevuld.
Zoals
hierboven werd gezegd is bij dit onderzoek voornamelijk gekeken naar
internaliserende en externaliserende gedragsproblemen. Het blijkt dat
internaliserende gedragsproblemen meer voorkomen bij meisjes, terwijl
externaliserende gedragsproblemen meer voorkomen bij jongens. Wanneer ouders
het gedrag van hun kinderen beoordelen, zoals in dit onderzoek gebeurt,
rapporteren moeders meer gedragsproblemen dan vaders. Tevens is er een afname
van gedragsproblemen te zien naarmate kinderen ouder worden. Een belangrijke
conclusie uit het onderzoek met de vragenlijsten die zowel door de vader als de
moeder zijn ingevuld, is dat de ouders het redelijk met elkaar eens zijn over
het gedrag van hun kind.
Waarom vertoont het ene kind meer
gedragsproblem dan het andere kind?
In
dit onderzoek zijn de oorzaken van de individuele verschillen in
internaliserende en externaliserende gedragsproblemen in kaart gebracht. Op de
leeftijden 3, 7, 10 en 12, blijken zowel genetische factoren als gedeelde
omgeving van invloed te zijn op gedragsproblemen. Gedeelde omgevingsinvloeden
zijn bijvoorbeeld opvoeding en datgene wat kinderen uit hetzelfde gezin delen.
De invloed van de genetische factoren bleek af te nemen als kinderen ouder worden.
Op 3-jarige leeftijd worden verschillen tussen kinderen met betrekking tot
gedragsproblemen ongeveer voor 50% bepaald door hun genetische aanleg, terwijl
op 12-jarige leeftijd nog maar ongeveer 35% van de verschillen tussen kinderen
bepaald wordt door genetische factoren. De invloed van de gedeelde
omgevingsfactoren blijkt toe te nemen over de tijd.
Stabiliteit en verandering van
gedragsproblemen.
Aangezien
een groot deel van de ouders bereid is geweest op meerdere tijdstippen een
vragenlijst over het gedrag van hun kinderen in te vullen, hadden we de unieke
mogelijkheid om te kijken naar stabiliteit en verandering van gedragsproblemen
over de tijd. Met andere woorden, vertonen kinderen die op 3-jarige leeftijd gedragsproblemen
hadden nog steeds gedragsproblemen op 12-jarige leeftijd? Wat zijn de oorzaken
van stabiliteit of verandering in gedragsproblemen? Internaliserende en
externaliserende gedragsproblemen bleken redelijk stabiel te zijn over de tijd.
Kinderen die op jonge leeftijd gedragsproblemen vertonen, doen dit op latere
leeftijd vaak nog steeds.
Het
onderzoek van Marjolein Rietveld
Wat zijn aandachtsproblemen?
Aandachtsproblemen
is een term die wordt gebruikt om een groot aantal gedragsproblemen te
beschrijven. Behalve een stoornis in de concentratie vallen “gedraagt zich te
jong”, “overactief”, “impulsief”, en “zenuwachtig” ook tot de aandachtsproblemen.
Een kind kan geen, weinig, iets meer, of heel veel aandachtsproblemen hebben.
In het NTR-onderzoek wordt de aan- of afwezigheid van aandachtsproblemen
vastgesteld door de antwoorden van de ouders op de genoemde gedragsomschrijvingen
te bestuderen. Het begrip aandachtsproblemen moet niet verward worden met het
begrip ADHD (attention deficit hyperactivity disorder). In hoeverre ADHD van
toepassing is op een kind kan alleen vastgesteld worden door een daartoe
opgeleid psycholoog of psychiater. Deze psycholoog/psychiater raadpleegt
diverse informatiebronnen, zoals de ouders, de leerkracht en gesprekken met het
kind zelf of observatie in een spelsituatie. Een ander verschil tussen ADHD en
aandachtsproblemen is dat het bij ADHD om een diagnose gaat, het kind heeft het
wel of heeft het niet. Bij aandachtsproblemen geldt een continue schaal, je
hebt ze in meer of mindere mate. Nu is het wel zo dat kinderen die extreem
veel aandachtsproblemen hebben, uiteindelijk een grotere kans hebben op de
diagnose ADHD.
Het voorkomen van aandachtsproblemen
Een
belangrijke uitkomst is dat er geen verschil tussen tweelingen en eenlingen
bestaat wat betreft de mate waarin zij overactief gedrag en aandachtsproblemen
vertonen. Wel wordt er een verschil gevonden tussen jongens en meisjes:
gedurende de gehele basisschool hebben jongens gemiddeld meer
aandachtsproblemen dan meisjes. Al op 3-jarige leeftijd zijn het vooral de
jongens die gemiddeld meer overactief gedrag vertonen. Dit verschil tussen de
jongens en meisjes komt ook terug bij zeer ernstige overactiviteit en
aandachtsproblemen. Van alle 3-jarige jongens vertoont ongeveer 3% een ernstige
vorm van overactief gedrag. Op 7-, 10-, en 12-jarige leeftijd vertoont 5 à 7%
zeer ernstige aandachtsproblemen. Voor meisjes zijn deze percentages lager,
hoewel niet opvallend veel lager (4 à 5%). Deze kinderen komen mogelijk in
aanmerking voor de diagnose ADHD. Dit grootschalige onderzoek toont duidelijk
aan dat het voorkomen van (ernstige) aandachtsproblemen zeker niet beperkt is
tot jongens.
Het verloop van aandachtsproblemen
Als
de kinderen ongeveer 3 jaar zijn, wordt nog niet naar aandachtsproblemen
gevraagd. In de vragenlijst zijn dan gedragsomschrijvingen opgenomen die vooral
te maken hebben met motorische overactiviteit. Overactief gedrag op jonge
leeftijd blijkt een goede voorspeller van aandachtsproblemen op latere
leeftijd.
Hoewel
overactief gedrag een goede voorspeller is voor aandachtsproblemen op latere
leeftijd, valt ook op dat kinderen enorm kunnen variëren in hun gedrag van het
3e naar het 7e jaar. Van de kinderen die zeer ernstig
overactief gedrag vertonen heeft één op de drie ook zeer ernstige
aandachtsproblemen op 7-jarige leeftijd. Dus, twee van de drie kinderen met
ernstig overactief gedrag vallen op het 7e jaar binnen de normale
grenzen van aandachtsproblemen. Deze aantallen wijzigen van het 7e
naar het 10e en 12e jaar. Dan handhaaft één op de twee
kinderen ernstige aandachtsproblemen. Opvallend is dat deze bevindingen niet
verschillen tussen jongens en meisjes. Dus, ook al zijn er meer jongens dan
meisjes met ernstige aandachtsproblemen, het verloop van deze problemen is
gelijk voor beiden.

Aandacht, school en intelligentie
Leerproblemen
op school is kenmerkend voor kinderen met concentratiestoornissen. De gedragsomschrijving
“slechte schoolresultaten” is zelfs opgenomen in het begrip aandachtsproblemen.
In de vragenlijst van het NTR zijn een paar extra vragen opgenomen waarin
expliciet gevraagd wordt naar de taal- en rekenvaardigheden van de kinderen. Nu
blijkt er inderdaad dat er een verband bestaat tussen aandachtsproblemen en
taal-/rekenvaardigheid: hoe meer aandachtsproblemen, hoe slechter de prestatie
op taal- en rekentaken. Bij een groep van ongeveer 400 kinderen is op diverse
leeftijden een intelligentietest afgenomen. Op basis van de slechte
schoolresultaten zou men verwachten dat kinderen met aandachtsproblemen een
veel lagere IQ-score hebben dan kinderen zonder deze problemen. Nu blijkt er
inderdaad een verband te bestaan tussen aandacht en intelligentie, maar dit
verband is heel zwak. Kortom, de slechtere schoolprestaties van kinderen met aandachtsproblemen
kunnen niet verklaard worden door een veel lagere intelligentie. Er is
blijkbaar iets anders aan de hand waarom kinderen met concentratiestoornissen
“slechte schoolresultaten” boeken.
Erfelijkheid van aandachtsproblemen
Hoe
komt het dat het ene kind weinig aandachtsproblemen en het andere kind veel
aandachtsproblemen kent? Met andere woorden, wat verklaart de verschillen
tussen kinderen? Ongeveer 75% van de verschillen wordt verklaard door
verschillen in erfelijke aanleg. Kinderen hebben niet hetzelfde DNA en daarom
ontstaan verschillen in aandachtsproblemen. Persoonsgebonden omgevingsinvloeden
verklaren ongeveer 25%. Dit zijn invloeden die uniek zijn voor het individuele
kind, zoals hobby’s, vriendjes, en bijzondere ervaringen. Misschien vraagt u
zich af hoe het zit met de invloed van het sociale milieu of de opvoedstijl van
de ouders. Deze invloeden kunnen een rol spelen maar dat is helemaal
afhankelijk van het individuele kind. Kinderen die wel hetzelfde DNA hebben,
namelijk eeneiige tweelingen, blijken dan ook erg veel op elkaar te lijken wat
betreft aandachtsproblemen.