Weet u het nog?

Over de methoden van onderzoek met tweelinggegevens

 

Het NTR is opgezet om de invloed van erfelijkheid en omgeving op gedrag, ziekte en gezondheid te bestuderen. De vragen die de onderzoekers zich stellen zijn bijvoorbeeld: Waarom zijn sommige kinderen brutaal, terwijl anderen juist heel bedeesd zijn? Waarom worden sommige mensen dik, terwijl anderen kunnen eten wat ze willen? Waarom kan de een zich goed concentreren, terwijl de ander iedere minuut iets anders aanpakt?

De onderzoekers van het NTR proberen steeds uit te vinden in hoeverre verschillen in gedrag en gezondheid iets te maken hebben met verschillen in erfelijke aanleg. Maar hoe doen ze dat? En wat hebben tweelingen daarmee te maken?

Tweelingen vinden we meestal heel bijzonder. Als deel van een tweeling, of als ouder, kunt u daar natuurlijk over meepraten. Toch zijn tweelingen niet anders dan eenlingen. Ze zijn niet dommer of slimmer, niet langer of korter, niet mooier of lelijker dan mensen die alleen in de baarmoeder hebben gezeten. Voor het onderzoek is dat van groot belang, want dat betekent dat de resultaten die in deze Twinfo vermeld staan, ook voor niet-tweelingen gelden! Toch is er een aspect aan tweelingen dat voor wetenschappelijk en medisch onderzoek zeer belangrijk is.

 

Er zijn twee soorten tweelingparen. Eeneiige tweelingen zijn hun leven samen begonnen als één bevruchte eicel. Al vroeg in hun ontstaansgeschiedenis deelde dit vruchtje in tweeën, waardoor er twee individuen ontstonden. Deze twee individuen hebben ieder dezelfde erfelijke aanleg (DNA).

Eeneiige tweelingen (ook wel monozygote tweelingen genoemd) maken natuurlijk ook vaak hetzelfde mee. Ze groeien op in hetzelfde gezin, zitten vaak op dezelfde school, of hebben dezelfde vrienden. Later in het leven gaan ze misschien samen op kamers of vlak bij elkaar in dezelfde plaats wonen. Geen wonder dat ze veel op elkaar lijken zou u kunnen zeggen. Daarom zijn twee-eiige tweelingen en broers en zussen van tweelingen zo belangrijk voor het onderzoek.

Twee-eiige, of dizygote, tweelingen en broers en zussen die geen tweeling zijn, maken ook vaak hetzelfde mee in het gezin en op school. Maar in tegenstelling tot eeneiige tweelingen hebben ze niet hetzelfde DNA. Hun genetische aanleg is gedeeltelijk hetzelfde (maar broers en zussen met dezelfde ouders lijken wat betreft erfelijke aanleg wel weer meer op elkaar dan bijvoorbeeld neven en nichten die niet dezelfde ouders, maar wel twee dezelfde grootouders hebben).

Voor ons onderzoek zijn daarom een-eiige en twee-eiige tweelingen belangrijk, hun ouders en hun broers en zussen. Bij volwassen tweelingen kunnen ook hun partners veel waarde hebben in het onderzoek. Dat onderzoek gaat na hoeveel verschillende familieleden op elkaar lijken. Bijvoorbeeld: als een-eiige tweelingen net zoveel op elkaar lijken als twee-eiige tweelingen en op hun andere broers en zusjes voor een bepaalde eigenschap dan speelt erfelijke aanleg geen grote rol. Als eeneiige tweelingen echter meer op elkaar lijken dan zijn erfelijke invloeden van belang. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de meeste risicofactoren voor het ontstaan van hart- en vaatziekten, maar ook bij het ontstaan van gedragsproblemen op de kinderleeftijd.

 

Natuurlijk moeten we andere factoren die een rol kunnen spelen niet uit het oog verliezen: 1) de mogelijke speciale band die tweelingen met elkaar hebben en 2) de manier waarop partnerkeuze tot stand komt. Wat betreft de speciale tweelingband: Tweelingen zouden vaker samen kunnen optrekken en daardoor meer op elkaar lijken dan twee "gewone" broers of zussen. Dat zou de mate waarin ze op elkaar lijken kunnen beïnvloeden. Dat kan in beide richtingen: tweelingen kunnen voor bepaalde eigenschappen proberen extra op de ander te lijken, maar voor andere eigenschappen juist weer proberen de verschillen te benadrukken. Ook daarom is het zo belangrijk broers- en zussen van tweelingen bij het onderzoek te betrekken.

 

Een tweede groep die steeds vaker meedoet, zijn de van partners (echtgenoten en echtgenotes) van tweelingen. Deze groep is bijzonder omdat ze geen erfelijke band met de tweelingen hebben. Voor sommige eigenschappen blijken ze echter wel op hun tweelingechtgenoot of levenspartner te lijken. Dat geldt bijvoorbeeld voor rook- en drinkgewoonten, sportdeelname, schoolkeuze en intelligentie. Hoe komt dat? Kiezen mensen elkaar uit op grond van deze eigenschappen, of gaan ze bijvoorbeeld steeds meer op elkaar lijken naarmate ze langer zijn getrouwd of bij elkaar zijn?

 

We hebben u een aantal voorbeelden geprobeerd te geven om duidelijk te maken waarom tweelingen en hun gezinsleden zo waardevol zijn voor het wetenschappelijk en medisch onderzoek. Dankzij uw inzet is het Nederlands Tweelingen Register nu een echt Nederlands Tweelingenfamilie Register waarvan we in de toekomst nog meer belangrijke gegevens mogen verwachten.