Tweelingonderzoek in de psychiatrie

Door: Astrid van der Schot

 

Geschiedenis

Tweelingonderzoek naar geestelijke gezondheid en naar psychiatrische ziektebeelden heeft een lange geschiedenis. In het begin van de vorige eeuw werden voor het eerst op een duidelijke manier twee belangrijke ziektebeelden beschreven: de manisch-depressieve stoornis en schizofrenie. Dit zijn ernstige aandoeningen, die veel mensen treffen. Naar beide wordt veel wetenschappelijk onderzoek gedaan om te weten te komen wat de oorzaken zijn en hoe ze te behandelen zijn. Vanaf het begin was voor beide ziektebeelden duidelijk, dat ze bij sommige families meer voorkwamen dan bij andere. Dit zou kunnen beteken dat erfelijke aanleg een rol speelt. Om de rol van erfelijkheid in het ontstaan van beide ziektebeelden te onderzoeken werd in 1928 de eerste tweelingstudie gedaan. Deze studie vormde het begin van een hele reeks aan tweelingstudies. Voor beide ziektebeelden bleek steeds dat eeneiige tweelingen vaker allebei de ziekte hadden dan twee-eiige tweelingen. Dit wijst erop dat erfelijke aanleg een rol speelt bij het ontwikkelen van schizofrenie en manisch-depressiviteit.

 

Manisch-depressieve Stoornis

De manisch-depressieve stoornis (tegenwoordig ook bipolaire stoornis genoemd) is een aandoening, die gekenmerkt wordt door sterke schommelingen in de stemming. Gedurende een langere periode kan bij een patiënt de stemming te somber zijn (depressieve periode) of juist te uitgelaten (manische periode). Tijdens een depressie kan er onder meer sprake zijn van slaap- en eetstoornissen, geen plezier meer kunnen beleven en niet tot activiteiten kunnen komen. Tijdens een manie is een patiënt veelal druk in gesprek en overactief, heeft nauwelijks behoefte aan slaap en heeft (te) veel zelfvertrouwen. Bij patiënten die alleen de sombere en niet de manische periodes meemaken is sprake van een unipolaire stoornis.

Bij iemand met een bipolaire stoornis kunnen depressieve en manische episodes elkaar afwisselen, terwijl iemand tussen de episodes door veelal normaal functioneert. De meeste patiënten maken gedurende hun leven diverse episodes door, sommige patiënten zijn zelfs vaker depressief of manisch dan niet. De ziekte kan dus een verregaande invloed hebben op het leven van de patiënt en op zijn/haar omgeving (gezin, werk enzovoort). Gelukkig is het tegenwoordig in sommige gevallen mogelijk met medicijnen de ziekteverschijnselen te bestrijden en nieuwe periodes van manie of depressie te voorkomen.

 

Schizofrenie

Schizofrenie wordt gekenmerkt door periodes met psychotische verschijnselen, zoals waandenkbeelden, hallucinaties (“stemmen horen”), verward denken en verward gedrag. De meeste patiënten maken in hun leven meerdere psychotische periodes door. Een groot verschil met de manisch-depressieve stoornis is dat patiënten met schizofrenie ook tussen de episodes door vaak niet volledig herstellen. Er is vaak sprake van een geleidelijke achteruitgang in het psychische en sociale functioneren. Psychotische verschijnselen kunnen met medicijnen worden bestreden, maar tegen de geleidelijke achteruitgang tussen de psychotische episodes door, valt met medicijnen weinig te doen. Veel patiënten met schizofrenie hebben dan ook langdurige intensive begeleiding nodig.

 

Informatiefolders over schizofrenie en de manisch-depressieve stoornis zijn onder meer te vinden op de websites van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (www.nvvp.net) en de Vereniging voor Manisch-Depressieven en Betrokkenen (VMDB) (www.antenna.nl/nsmd)

 

 

 

Erfelijkheid of omgeving?

Tegenwoordig wordt door (bijna) niemand meer betwijfeld dat erfelijke factoren een rol spelen bij het ontstaan van aandoeningen zoals schizofrenie en de manisch-depressieve stoornis. Ook bij unipolaire depressies, angst- en eetstoornissen (o.a. anorexia nervosa) is erfelijke aanleg belangrijk. Naar al deze aandoeningen zijn in de afgelopen jaren tweelingstudies verricht, onder meer in Nederland met medewerking van bij het NTR ingeschreven tweelingfamilies. Tweelingonderzoek naar manisch-depressiviteit en schizofrenie laat overigens ook zien dat omgevingsfactoren er toe doen. Dit blijkt uit het feit dat bij eeneiige tweelingen voor geen enkele aandoening gevonden wordt dat beide leden van een paar altijd de aandoening hebben. Bij de manisch-depressieve stoornis heeft ongeveer 40%  van de eeneiige tweelingbroers of –zussen van een aangedane tweeling zelf ook de ziekte. Bij schizofrenie is dat iets lager, namelijk ongeveer 50%. Bij beide ziektebeelden spelen omgevingsinvloeden dus een rol in het ontstaan. Er is weinig bekend over welke omgevingsfactoren dat zijn. Gedacht wordt aan emotionele en stressvolle levensgebeurtenissen en aan bijvoorbeeld zwangerschaps- en geboortecomplicaties.

 

 

Tweelingonderzoek bij de manisch-depressieve stoornis en schizofrenie

Door de afdeling psychiatrie van het UMC Utrecht is de afgelopen jaren een onderzoek verricht bij tweelingen waarvan tenminste een van de twee schizofrenie heeft. Deze tweelingstudie heeft veel nieuwe wetenschappelijke kennis opgeleverd. Zo bleken zwangerschapscomplicaties inderdaad bij te dragen aan het risico van schizofrenie en werden er hersenveranderingen gevonden, niet alleen bij de tweeling met schizofrenie, maar in lichtere mate ook bij de bij de gezonde tweelinghelften. Dit past bij de veronderstelling dat schizofrenie deels genetisch en deels door omgevingsfactoren wordt veroorzaakt. Momenteel loopt in het Utrecht Medisch Centrum een tweelingonderzoek naar de manisch-depressieve stoornis. Het is de bedoeling hiervoor 45 tweelingparen te vinden, waarvan een van de twee een bipolaire stoornis heeft. De bevindingen bij deze 45 tweelingen worden vergeleken met gezonde tweelingen en met de tweelingparen uit het vorige onderzoek, waarvan tenminste een van de twee schizofrenie heeft.

 

 

Tweelingen gezocht

Voor de tweelingstudie bij de manisch-depressieve stoornis in het UMC Utrecht is men op zoek naar tweelingen die willen meedoen en waarvan ten minste een van de twee deze aandoening heeft. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met het secretariaat van het NTR, tel. 020 – 4448787, of per e-mail: n.stroo@psy.vu.nl