Geschiedenis
Tweelingonderzoek naar geestelijke gezondheid
en naar psychiatrische ziektebeelden heeft een lange geschiedenis. In het begin
van de vorige eeuw werden voor het eerst op een duidelijke manier twee
belangrijke ziektebeelden beschreven: de manisch-depressieve stoornis en
schizofrenie. Dit zijn ernstige aandoeningen, die veel mensen treffen. Naar
beide wordt veel wetenschappelijk onderzoek gedaan om te weten te komen wat de
oorzaken zijn en hoe ze te behandelen zijn. Vanaf het begin was voor beide
ziektebeelden duidelijk, dat ze bij sommige families meer voorkwamen dan bij
andere. Dit zou kunnen beteken dat erfelijke aanleg een rol speelt. Om de rol
van erfelijkheid in het ontstaan van beide ziektebeelden te onderzoeken werd in
1928 de eerste tweelingstudie gedaan. Deze studie vormde het begin van een hele
reeks aan tweelingstudies. Voor beide ziektebeelden bleek steeds dat eeneiige
tweelingen vaker allebei de ziekte hadden dan twee-eiige tweelingen. Dit wijst
erop dat erfelijke aanleg een rol speelt bij het ontwikkelen van schizofrenie
en manisch-depressiviteit.
De manisch-depressieve stoornis (tegenwoordig
ook bipolaire stoornis genoemd) is een aandoening, die gekenmerkt wordt door
sterke schommelingen in de stemming. Gedurende een langere periode kan bij een
patiënt de stemming te somber zijn (depressieve periode) of juist te uitgelaten
(manische periode). Tijdens een depressie kan er onder meer sprake zijn van
slaap- en eetstoornissen, geen plezier meer kunnen beleven en niet tot
activiteiten kunnen komen. Tijdens een manie is een patiënt veelal druk in
gesprek en overactief, heeft nauwelijks behoefte aan slaap en heeft (te) veel
zelfvertrouwen. Bij patiënten die alleen de sombere en niet de manische
periodes meemaken is sprake van een unipolaire stoornis.
Bij iemand met een bipolaire stoornis kunnen
depressieve en manische episodes elkaar afwisselen, terwijl iemand tussen de
episodes door veelal normaal functioneert. De meeste patiënten maken gedurende
hun leven diverse episodes door, sommige patiënten zijn zelfs vaker depressief
of manisch dan niet. De ziekte kan dus een verregaande invloed hebben op het
leven van de patiënt en op zijn/haar omgeving (gezin, werk enzovoort). Gelukkig
is het tegenwoordig in sommige gevallen mogelijk met medicijnen de
ziekteverschijnselen te bestrijden en nieuwe periodes van manie of depressie te
voorkomen.
Schizofrenie wordt gekenmerkt door periodes
met psychotische verschijnselen, zoals waandenkbeelden, hallucinaties (“stemmen
horen”), verward denken en verward gedrag. De meeste patiënten maken in hun
leven meerdere psychotische periodes door. Een groot verschil met de
manisch-depressieve stoornis is dat patiënten met schizofrenie ook tussen de
episodes door vaak niet volledig herstellen. Er is vaak sprake van een
geleidelijke achteruitgang in het psychische en sociale functioneren.
Psychotische verschijnselen kunnen met medicijnen worden bestreden, maar tegen de
geleidelijke achteruitgang tussen de psychotische episodes door, valt met
medicijnen weinig te doen. Veel patiënten met schizofrenie hebben dan ook
langdurige intensive begeleiding nodig.
Informatiefolders over schizofrenie en de
manisch-depressieve stoornis zijn onder meer te vinden op de websites van de
Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (www.nvvp.net) en de Vereniging voor
Manisch-Depressieven en Betrokkenen (VMDB) (www.antenna.nl/nsmd)
Erfelijkheid
of omgeving?
Tegenwoordig wordt door (bijna) niemand meer betwijfeld dat erfelijke factoren een rol spelen bij het ontstaan van aandoeningen zoals schizofrenie en de manisch-depressieve stoornis. Ook bij unipolaire depressies, angst- en eetstoornissen (o.a. anorexia nervosa) is erfelijke aanleg belangrijk. Naar al deze aandoeningen zijn in de afgelopen jaren tweelingstudies verricht, onder meer in Nederland met medewerking van bij het NTR ingeschreven tweelingfamilies. Tweelingonderzoek naar manisch-depressiviteit en schizofrenie laat overigens ook zien dat omgevingsfactoren er toe doen. Dit blijkt uit het feit dat bij eeneiige tweelingen voor geen enkele aandoening gevonden wordt dat beide leden van een paar altijd de aandoening hebben. Bij de manisch-depressieve stoornis heeft ongeveer 40% van de eeneiige tweelingbroers of –zussen van een aangedane tweeling zelf ook de ziekte. Bij schizofrenie is dat iets lager, namelijk ongeveer 50%. Bij beide ziektebeelden spelen omgevingsinvloeden dus een rol in het ontstaan. Er is weinig bekend over welke omgevingsfactoren dat zijn. Gedacht wordt aan emotionele en stressvolle levensgebeurtenissen en aan bijvoorbeeld zwangerschaps- en geboortecomplicaties.
Tweelingonderzoek
bij de manisch-depressieve stoornis en schizofrenie
Door de afdeling psychiatrie van het UMC
Utrecht is de afgelopen jaren een onderzoek verricht bij tweelingen waarvan
tenminste een van de twee schizofrenie heeft. Deze tweelingstudie heeft veel
nieuwe wetenschappelijke kennis opgeleverd. Zo bleken zwangerschapscomplicaties
inderdaad bij te dragen aan het risico van schizofrenie en werden er
hersenveranderingen gevonden, niet alleen bij de tweeling met schizofrenie,
maar in lichtere mate ook bij de bij de gezonde tweelinghelften. Dit past bij
de veronderstelling dat schizofrenie deels genetisch en deels door
omgevingsfactoren wordt veroorzaakt. Momenteel loopt in het Utrecht Medisch
Centrum een tweelingonderzoek naar de manisch-depressieve stoornis. Het is de
bedoeling hiervoor 45 tweelingparen te vinden, waarvan een van de twee een
bipolaire stoornis heeft. De bevindingen bij deze 45 tweelingen worden
vergeleken met gezonde tweelingen en met de tweelingparen uit het vorige
onderzoek, waarvan tenminste een van de twee schizofrenie heeft.
Voor
de tweelingstudie bij de manisch-depressieve stoornis in het UMC Utrecht is men
op zoek naar tweelingen die willen meedoen en waarvan ten minste een van de
twee deze aandoening heeft. Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met
het secretariaat van het NTR, tel. 020 – 4448787, of per e-mail:
n.stroo@psy.vu.nl