Door: Eco de Geus
In 1998 verscheen in de Twinfo een artikel met de kop
"Tweelingen minder slim? Welnee!".
Dit ging over de eerste prille resultaten van een onderzoek van Daniëlle
Posthuma naar hersenfunctie en intelligentie bij jong volwassen tweelingen. De
voorlopige voorzichtige conclusie was dat tweelingen even slim waren als
eenlingen. Een tweelingzwangerschap leek geen nadelig gevolg voor de
intelligentie te hebben.
Inmiddels, na metingen bij meer dan 800 tweelingen en hun broers en zussen is deze conclusie volledig gestaafd. In juni van dit jaar promoveerde Daniëlle cum laude op haar onderzoek waar deze bevinding deel van uitmaakte (een van haar examinatoren was prof. Wiesel, een neurowetenschapper en Nobelprijswinnaar. Samen met de ’nationale’ Nobelprijs van professor Boomsma was het dus een echt 'Nobel-jaar' voor de afdeling). Daniëlle vond dat volwassen tweelingen niet van hun eenling broers of zussen afwijken voor wat betreft hun intelligentiescores. Ze doen zelfs –letterlijk - niet in herseninhoud onder voor eenlingen. Anatomische beelden van hun hersenen, gemaakt met MRI-apparatuur in het Medisch Centrum Utrecht, lieten geen verschillen in breinvolume zien tussen twee- en eenlingen. Eerder al vonden we in deze grote groep dat het “tweeling zijn”geen enkel effect had op de bloeddruk.
Het “tweeling-zijn” heeft wel effect op het geboortegewicht; tweelingen zijn gemiddeld een kilo lichter dan eenlingen. Dit lijkt verontrustend, want er is de laatste tijd veel aandacht voor het gegeven dat een laag geboortegewicht ongunstig is voor de latere ontwikkeling en gezondheid. Uit onze gegevens van breinvolume, bloeddruk en intelligentie spreekt echter dat voor de tweelingzwangerschap een speciale uitzondering gemaakt moet worden. Het gemiddeld lagere geboortegewicht bij tweelingen is duidelijk van een andere aard dan de lage geboortegewichten die soms bij eenlingen worden gevonden.
Daniëlle’s onderzoek naar hersenfunctie en intelligentie haalde verscheidene keren de nationale pers vanwege een heel andere bevinding: de zeer hoge bijdrage van erfelijke invloeden aan de mate waarin personen verschillen in hun totale IQ score. Voor de jonge volwassenen werd 88% van de verschillen in IQ score verklaard door verschillen in erfelijke aanleg. Bij de oudere volwassenen was dat 85%. De erfelijkheidsschattingen uit de huidige studie kunnen we combineren met andere erfelijkheidsschattingen voor de IQ-score in Nederlandse tweelingen. Wanneer we dit doen ontstaat een mooi beeld van een toename van de invloeden van genetische factoren en een afname van de invloed van omgevingsfactoren met de leeftijd (zie figuur 1).
Van twee eigenschappen die samenhangen met intelligentie en die in IQ-tests ook worden gemeten, - snelheid en aandacht – werd vervolgens nog eens afzonderlijk de erfelijkheid bepaald. Mensen die sneller reageren, hebben in het algemeen een hogere IQ score. Verschillen in waarnemingssnelheid bleken iets minder erfelijk dan verschillen in IQ scores (ongeveer 50 %). Interessant is dat de relatie tussen waarnemingssnelheid en IQ score volledig is toe te schrijven aan erfelijke factoren. Er zijn dus genen die zowel de waarnemingssnelheid als de IQ score beďnvloeden. Uit een verwant Australisch onderzoek kwam niet lang geleden hetzelfde naar voren.
Ook aandacht – dat wil zeggen: de mate waarin iemand in staat is afleidende informatie te negeren – bleek grotendeels genetisch bepaald en een relatie te hebben met de IQ-score. De relatie tussen goed je aandacht gericht kunnen houden en de IQ-score bleek ook weer volledig toe te schrijven aan erfelijke factoren. Er zijn dus genen die zowel het richten van de aandacht als de IQ-score beďnvloeden.
Tenslotte werd ook nog gekeken naar de relatie tussen de IQ-score en breinvolumes. De gemeten breinvolumes waren: totale volume binnen de schedel, grijze massa van de grote hersenen (waarin vooral de zenuwcellen zitten), witte massa van de grote hersenen (waarin de verbindingen tussen die zenuwcellen zitten) en het volume van de kleine hersenen. Gevonden werd dat verschillen in breinvolumes zeer erfelijk zijn (80-90%) en dat personen met een groter brein een iets hogere IQ score hadden. Deze relatie tussen breinvolume en IQ-score kon weer geheel worden toegeschreven aan genen die zowel van invloed zijn op de grootte van het brein als de hoogte van de IQ-score.
De genen die voor de uitgroei van het brein zorgen dragen dus bij aan de ontwikkeling van intelligentie. Door nu bij volwassenen die genen en hun effecten in kaart te gaan brengen hopen we meer begrip te krijgen voor aandoeningen waarbij er iets niet goed blijkt te gaan met de breingroei, zoals schizofrenie, leesblindheid of aandachtsstoornissen. Genetische invloeden op de ontwikkeling van aandachtsproblemen worden ook bij de jonge tweelingen en hun broers en zussen onderzocht (zie artikel “Vroege voorspellers van de CITO-toets” van Meike Bartels en “Aandachtsonderzoek op de Vrije Universiteit” van Tinca Polderman). Hier komt het onderzoek bij volwassen en jonge tweelingen dus mooi samen.
fig. 1
