De tweeling in het voortgezet onderwijs

Door: Maryke Roelink

 

De puberteit is zowel voor ouders als voor pubers zelf vaak niet de gemakkelijkste periode in de opvoeding. Eén puber is al moeilijk, maar twéé…? Ouders hebben vaak schrikbeelden van verkeerde vrienden, alcohol en drugs, ruzies en grote problemen binnen het gezin.

Een tweeling kan zich in deze periode dubbel eenzaam voelen: los van de ouders en los van elkaar.

Enerzijds kan dus gesteld worden dat een tweeling het moeilijker heeft in de puberteit, omdat zij voor deze extra opgave staan, anderzijds hebben zij het gemakkelijker; ze hebben steun aan elkaar en kunnen b.v. lekker samen katten op hun ouderwetse ouders en er is altijd een buffer aanwezig.

Op de basisschool was er alleen de vraag of ze bij elkaar of apart in de klas moesten. Bij het gaan naar het voortgezet onderwijs duiken nieuwe vragen op: moeten ze naar dezelfde school, moeten ze scholen van hetzelfde type en met hetzelfde aantal leerjaren bezoeken, welke vakken kiezen ze? Er zijn immers zoveel mogelijkheden en keuzes voor wat betreft het voortgezet onderwijs. Ook hier moet scheiding niet als een eenmalig besluit gezien worden, maar als iets flexibels; het is goed mogelijk dat bepaalde vakken door beide kinderen gekozen worden en gedurende die lesuren zullen ze dus samen zijn. Over het algemeen wordt gesteld dat de tweeling  – indien zij op de basisschool nog niet gescheiden waren – in het voortgezet onderwijs beter uit elkaar kunnen gaan. Zij moeten immers opgroeien tot onafhankelijke volwassenen, die elk een eigen leven leiden. Er bestaat in deze periode vaak competitie tussen de beide kinderen. Dit kan zowel een positief effect hebben ( steeds beter je best gaan doen om van de ander te winnen), als een negatief effect (zich terugtrekken, omdat de ander alles toch altijd beter doet).

Onderzoek heeft uitgewezen dat jongens wat vaker dan meisjes kunnen achterblijven in intellectuele prestaties. Dit kan moeilijkheden geven als er sprake is van twee-eiige tweelingen, waarvan één een meisje en de ander een jongen. In dit geval kan de tweeling op school uiteraard beter gescheiden worden. Waarbij aangetekend moet worden dat dit zeker geen algemeen geldend verschijnsel is; de meeste van deze tweelingen ontwikkelen zich prima. Het tweelingschap mag zeker bij ouders en leerkrachten niet dienen als verklaring voor slechte prestaties. Bovendien blijkt verder uit onderzoek dat het meer een kwestie is van slecht aandacht geven dan van niet kunnen presteren. Er werden b.v. veel fouten gemaakt in eenvoudige sommen of met klok kijken, dat toch geen al te zware opgave is voor een pakweg veertienjarige. Deze resultaten komen overeen met het feit dat attentieproblemen en ADHD meer voorkomt bij jongens dan bij meisjes.

Dat de één beter presteert dan de ander wil nog niet zeggen dat de laatste dom is, maar het is uiteraard voor de minder presterende hinderlijk om altijd vergeleken te worden met de andere. In dit opzicht hebben tweelingen het inderdaad moeilijker. Dat er verschil is in wat bereikt kan wordt in het leven, moet een tweeling leren accepteren. Het is de taak van de ouders om de minst presterende van de tweeling dit te laten inzien. Wat de ouders niet moeten doen is de verschillen verdoezelen of pogen te compenseren. Deze verschillen zullen later in de maatschappij ook aan het licht kunnen komen en het is het beste als het kind hieraan al in de jeugdjaren gewend is geraakt en in opgevoed is.

In de puberteit veranderen kinderen, en de ouders moeten mee veranderen. Het kan best moeilijk zijn om de ouders van een tweeling pubers te zijn. Tegenover de macht van die twee te staan is geen geringe opgave. Er bestaat erg veel literatuur en hulp voor ouders die net een tweeling hebben gekregen of een tweeling in de kinderjaren hebben, maar er is heel weinig voorhanden voor ouders van pubertweelingen. En het zou juist zo nodig zijn dat ervaringen met pubertweelingen door ouders gedeeld kunnen worden, om te ervaren dat hun situatie echt niet uniek is.

Welke beslissingen ouders ook nemen, wat betreft school, het eerste serieuze vriendje en andere zaken die op deze leeftijd aan de orde komen, zij moeten steeds voor ogen houden dat de kinderen op moeten groeien tot onafhankelijke volwassenen, die eigen beslissingen nemen en eigen keuzes maken.

 

Bronvermelding:         Sandbank, A (ed.) Twin and triplet psychology, Routledge, London, 1999, p. 119 – 141

                                    Duijvelaar, L. en Geluk, A. Het Tweelingenboek (2), Meulenhof informatief, Amsterdam, 1988, p. 242 - 246