WAAROM BEN JIJ SLIMMER DAN IK?

Menigeen heeft zich vast wel eens afgevraagd waarom niet iedereen even slim is. De gedragsgenetica zoekt een antwoord op de vraag hoe verschillen tussen mensen ontstaan. Dat kan vanwege verschillen in de omgeving,  omdat mensen niet gelijk zijn in hun genetische aanleg en specifieke combinaties van aanleg en omgeving. Het is echter aannemelijker dat zowel omgevings- als genetische invloeden van belang zijn bij het verklaren van variatie tussen individuen.  

Intelligentie en tweelingen

Het onderzoek naar het ontstaan van verschillen tussen mensen kan uitgevoerd worden door gegevens van ‘genetisch informatieve personen’ te gebruiken. Voorbeelden van ‘genetisch informatieve personen’ zijn tweelingen, adoptiegezinnen, broers en zussen. Bij het NTR zijn diverse onderzoeken verricht waarbij intelligentietesten zijn afgenomen bij tweelingen van verschillende leeftijden. Door de scores van beide personen van een tweelingpaar met elkaar te vergelijken kan informatie verkregen worden over de grootte van genetische invloeden en de grootte van omgevingsinvloeden op intelligentie. Twee leden van een eeneiig tweelingpaar hebben precies dezelfde genen, dus als er een verschil te zien is bij de score op de intelligentietest kan dit verschil alleen zijn ontstaan door invloeden vanuit de omgeving. Voor twee-eiige tweelingen ligt dat anders. Twee leden van een twee-eiig tweelingpaar delen gemiddeld de helft van hun genetische materiaal. Dus de verschillen die bij deze personen gevonden worden in de uitslag van de intelligentietest kunnen zowel door genen als omgeving veroorzaakt worden.

De intelligentieonderzoeken van het NTR

Vele tweelingen uit het NTR hebben inmiddels één of meerdere keren meegewerkt aan een onderzoek naar de individuele verschillen in intelligentie. Pronkstuk is een langlopende studie naar de ontwikkeling van intelligentie bij ongeveer 400 kinderen. Deze kinderen zijn met een regelmaat van ongeveer 2 jaar getest, beginnend op de leeftijd van 5 jaar en nu voor de vierde keer op 12-jarige leeftijd. Daarnaast is er een tweede, kortere studie onder bijna 400 adolescenten, beginnend op 16-jarige leeftijd en eindigend op 18-jarige leeftijd. Deze tweelingen nemen op dit moment opnieuw deel aan een ander intelligentieonderzoek. Tevens vinden er momenteel ook test-afnames plaats bij een nieuwe groep tweelingen van gemiddeld 28 jaar en een groep van gemiddeld 50 jaar.  


Erfelijke aanleg en omgeving

Op de horizontale as van de bovenstaande grafiek staat de leeftijd aangegeven waarop de tweelingen getest zijn. Op de verticale as staat erfelijkheid in percentages aangegeven. Bijvoorbeeld op 5-jarige leeftijd is de invloed van genen op intelligentie ongeveer 30 procent (onderste stukje van de balk). De invloed van gedeelde omgeving (ofwel familieomgeving en ouderlijk milieu) is op 5 jaar ongeveer 45 procent (middelste stukje van de balk). En de invloed van niet-gedeelde omgeving (unieke omgeving: omgevingsinvloeden die alleen gelden voor het individu) is op 5-jarige leeftijd ongeveer 25 procent (bovenste stukje van de balk). Voorbeelden van gedeelde omgevingsinvloeden zijn opvoedingsstijl van de ouders, eetgewoonten binnen een gezin, de aanwezigheid van TV, computers of boeken, kortom alles wat voor kinderen uit hetzelfde gezin gelijk is. Voorbeelden van ongedeelde omgevingsinvloeden zijn eigen vrienden, eigen hobby’s, verblijf in het ziekenhuis van het ene kind, maar niet van het andere.

In de grafiek valt het op dat de erfelijke invloed op IQ toeneemt naarmate je ouder wordt. Op 5-jarige leeftijd wordt slecht 30% van de verschillen tussen mensen in intelligentie bepaald door erfelijke aanleg. Echter op 12-jarige leeftijd worden de verschillen in intelligentie al voor 60% bepaald door  erfelijke aanleg. Met het ouder worden blijft de genetische invloed groot. Het middelste gedeelte van de balk geeft aan hoe groot de invloed van gedeelde omgeving is. Op jonge leeftijd is deze invloed zeer belangrijk, maar met het ouder worden verdwijnt de bijdrage van gedeelde omgevingsinvloeden volledig. Het bovenste gedeelte van de balk laat zien hoe groot de invloed van niet-gedeelde omgeving is op verschillen in intelligentie. Algemeen gezegd ziet het er naar uit dat de grootte van deze invloed constant blijft tijdens de ontwikkeling.

Je ware ik

Uit deze onderzoeken kan dus afgeleid worden dat de invloed van erfelijkheid op intelligentie steeds toeneemt naarmate je ouder wordt. Uit het NTR-onderzoek blijkt dat tot leeftijd 12 steeds dezelfde genen van invloed zijn.  Ook is te zien dat de invloed van gedeelde omgeving afneemt.  Wat hierbij een rol kan spelen is dat opgroeiende kinderen steeds meer hun eigen omgeving opzoeken, waardoor de invloed vanuit het ouderlijke huis steeds minder een rol gaat spelen.  Het bijzondere aan dit onderzoek naar intelligentie is dat dezelfde personen meerdere malen getest worden. Deze methode van onderzoek is de enige juiste methode om ontwikkeling van intelligentie in kaart te brengen. De families die aan de intelligentieonderzoeken meewerken maken dit al jaren mogelijk. Van de oorspronkelijk 209 tweelingparen die op 5-jarige leeftijd meededen, werken nu nog steeds 192 tweelingparen mee. Een groot deel van de tweelingen die op 16- en op 18-jarige leeftijd meewerkten, werkt nu, 8 jaar later, weer een groot deel mee aan een onderzoek naar de bouw van de hersenen en intelligentie. We willen de tweelingen en hun families dan ook hartelijk danken voor hun medewerking.