SCHEELZIEN: ERFELIJKE- EN OMGEVINGSINVLOEDEN

Scheelzien - of strabísmus, zoals de officiële medische aanduiding luidt - is een oogafwijking die bij ca. 2 à 3% van de bevolking voorkomt. De gezichtslijn van een der beide ogen wijkt bij alle blikrichtingen af van normaal. Dat kan naar binnen (de neuszijde) zijn; in dat geval spreekt men van convergent scheelzien. Maar het kan ook naar buiten zijn en dan heet het divergent scheelzien. Scheelzien wordt veroorzaakt door een ontregelde controle van dat deel van het centrale zenuwstelsel dat de besturing van de oogspieren regelt, de zogeheten oculomotore nucleus, een kleine hersenkern in de tussenhersenen. Over het waarom van deze ontregeling is nog veel onopgehelderd, maar wel zijn er een aantal omstandigheden bekend die de kans op scheelzien beïnvloeden. Zo is al heel lang bekend dat het in bepaalde families meer voorkomt dan in andere en dat kan wijzen op een erfelijke invloed. Maar aan de andere kant zijn er ook signalen dat de kans op scheelzien toeneemt onder invloed van sommige omgevingsinvloeden. Roken van de moeder tijdens de zwangerschap zou zo’n invloed kunnen zijn. Voorts zijn er ook aanwijzingen dat scheelzien meer voorkomt bij kinderen die te vroeg zijn geboren.

Onlangs is bij het Nederlands Tweelingen Register (NTR) bij een groep van 3078 paar tweelingen van ongeveer 6 jaar (dus 6156 kinderen) onderzocht hoe sterk nu precies de invloed van erfelijke en van omgevingsinvloeden zijn op scheelzien. Omdat oogartsen ons er op hadden geattendeerd dat scheelzien, het hebben van een lui oog en het dragen van een bril vaak samen voorkomen - vermoedelijk omdat het een het andere vaak veroorzaakt – zijn bij alle kinderen die drie kenmerken (scheelzien, lui oog en brildragend voortaan resp. scheel, lui en bril te noemen) vastgesteld.

Uit het onderzoek bleek dat de gelijkenis onder eeneiige tweelingen (die zijn dus voor 100% genetisch hetzelfde) qua scheelzien en na correctie voor de samenhang met lui en bril, 0.95 was (op een schaal van 0 tot 1). Voor twee-eiige tweelingen was dat 0.55. Omdat we over gegevens van veel tweelingen beschikten (985 eeneiige en 805 twee-eiige paren van gelijk geslacht; de tweelingen van ongelijk geslacht worden hier even buiten beschouwing gelaten), kon met vrij grote zekerheid uit deze getallen worden geconcludeerd dat verschillen tussen kinderen in scheelzien voor ca. 80% aan erfelijke factoren moeten worden toegeschreven.

Dat betekent dat voor ongeveer 20% van de verschillen een oorzaak in de omgeving moet worden gezocht. Omdat er een sterke samenhang is met het geboortegewicht (hoe lager, des te groter de kans op scheelzien), lijkt groei en ontwikkeling in de baarmoeder daarvoor een belangrijke kandidaat. Het verband tussen het percentage scheelziende tweelingkinderen en hun geboortegewicht is – voor het als eerste en het als tweede geboren kind apart – in figuur 1 weergegeven.

De kans op scheelzien neemt ook toe als moeder tijdens de zwangerschap heeft gerookt. Dit effect wordt evenwel veroorzaakt door de (al langer bekende) geboortegewichtverlagende invloed van roken.


figuur 1. Percentage scheelzien onder tweelingenkinderen als functie van hun geboortegewicht