Hoe
ontstaan tweelingen? Wat is nu precies het verschil tussen eeneiig en twee-eiig?
Hoeveel tweelingen worden er geboren en is dat overal en altijd gelijk? Hoe
wordt er in verschillende (vroegere en tegenwoordige) culturen tegen tweelingen
aangekeken? Welke aandacht krijgen tweelingen in de romanliteratuur? En vooral:
waarom is de wetenschap zo geïnteresseerd in tweelingen? Op deze en
vergelijkbare vragen heeft Frits de Waard buitengewoon heldere en uitvoerige
antwoorden gegeven in zijn recent verschenen boek Over
Tweelingen Gesproken*), wetenschappelijk verantwoord en tegelijk
toegankelijk voor geïnteresseerde leken.
De
auteur van het boek, arts en (inmiddels gepensioneerd) hoogleraar epidemiologie
in Utrecht, had altijd al een meer dan gemiddelde belangstelling voor
tweelingen, niet in het minst vanwege het feit dat hijzelf de helft is van een
eeneiige tweeling. Tweelingbroer Ad – eveneens gepensioneerd hoogleraar
(biochemie) is de andere helft.
Lezend
in dit boek voel je dat je te maken hebt met een ervaren docent die in staat is
zijn gehoor van meet af aan te boeien. Voortdurend trekt hij goede voorbeelden
uit de kast en ervaar je de grote belezenheid van de auteur. De lezer wordt op
overtuigende wijze ingeleid in het medisch en psychologisch onderzoek bij
tweelingen. Rustig alles uitleggend, zonder al te veel moeilijke vaktermen en
ondersteund door tientallen verhelderende illustraties weet De Waard de aandacht
van de lezer vast te houden. En intussen word je niet alleen bijgepraat over de
genetisch-epidemiologisch methoden in tweelingonderzoek maar krijg je en passant
ook nog even les over het onderzochte verschijnsel zelf. Zo wordt bijvoorbeeld
bij een tweelingstudie over de genetica van bijziendheid eerst een uitleg
gegeven van dat verschijnsel als zodanig. Die didactisch goede aanpak wordt door
de auteur consequent gevolgd: over glaucoom (een oogziekte), overgewicht (obesitas),
hart- en vaatziekten, diabetes, kanker, schizofrenie. Maar ook met
psychologische kenmerken – die eveneens meestal in belangrijke mate onder
genetische controle staan – volgt
De Waard deze systematiek. Boeiend vertelt hij – vaak op grond van zeer recent
onderzoek – over de invloed van erfelijke en omgevingsfactoren op menselijke
eigenschappen zoals muzikaliteit, seksuele geaardheid, alcoholisme,
agressiviteit en godsdienstigheid. Zonder de medewerking van tweelingen zou het
niet goed mogelijk zijn om op dergelijke vragen een antwoord te geven. Om er nog
een willekeurig voorbeeld uit te lichten: bij de bespreking van de genetica van
muzikaliteit wordt een stamboom afgedrukt van de familie Bach. De Waard laat
zien dat zo’n op zichzelf fascinerende stamboom wetenschappelijk onvoldoende
is en met tweelingonderzoek verder moet worden ondersteund. Je weet immers nooit
zeker of de overeenkomst in muzikaliteit tussen ouders en kinderen het gevolg is
van gemeenschappelijke omgevingsinvloeden of van gemeenschappelijke genen. Om
dat zeker te weten heb je tweelingen nodig.
Dit
boek, geschreven door een dokter, een epidemioloog (tweelingonderzoek is in
feite genetische epidemiologie) en een tweeling – dit alles in één persoon
verenigd – is naar mijn oordeel uniek in het Nederlands taalgebied: helder,
breed, informatief, wetenschappelijk verantwoord en…leuk! Van harte
aanbevolen, in het bijzonder aan tweelingen en hun families!
*)
F. de Waard (2000). Over Tweelingen
Gesproken. Soesterberg: Aspekt. ISBN: 90 75323 84 0 (ƒ 39,50).