Kort na de geboorte buigen oma's en opa's zich vaak over de nieuwe baby om te zien op wie hij het meest lijkt, op de moeder of op de vader. Daarbij is de aandacht vooral op het uiterlijk gericht: het haar, de vorm van het gezicht en de ogen. Dit kan later, wanneer het kind naar school gaat, nog steeds tot verhitte discussies leiden. Tegen die tijd gaat het meestal niet meer om het uiterlijk, maar vooral om hoe het kind zich gedraagt. Van wie heeft het die sportieve aanleg of die muzikale kwaliteiten, en van wie dat plagerige gedrag? Onderzoek bij tweelingen en adoptiefkinderen heeft laten zien dat onze eigenschappen voor een groot deel berusten op erfelijke aanleg. Deze aanleg is vastgelegd in de genen, het erfelijk materiaal dat kinderen van hun ouders meekrijgen en dat is opgeslagen in alle cellen van het lichaam. Kinderen krijgen van beide ouders erfelijk materiaal mee. De combinatie van genen, afkomstig van vader en moeder, bepaalt hoe het kind zich zal ontwikkelen. Kinderen hebben dan ook zowel eigenschappen van hun moeder als van hun vader. Daarnaast hebben veel kinderen unieke eigenschappen waarin ze van hun ouders verschillen. Terwijl beide ouders rechtshandig zijn, is hun kind bijvoorbeeld linkshandig, terwijl beide ouders actieve en doenerige types zijn, zit hun kind het liefst met een boek in een hoekje, en terwijl de ene ouder goed is in talen en de ander in wiskunde, wil het met hun kind minder goed lukken op school.
De invloed van hormonen
Het
hangt van allerlei invloeden uit de omgeving af of de informatie die is
vastgelegd in het erfelijk materiaal, afgelezen wordt en ook wanneer en hoe snel
dat gebeurt. Vooral hormonen spelen daarbij een belangrijke rol, omdat ze als
het ware de schakel zijn tussen gebeurtenissen in de omgeving en het aflezen van
het erfelijk materiaal. Hormonen zijn stoffen die door klieren gemaakt worden en
via het bloed invloed uitoefenen op veel verschillende delen van het lichaam.
Voorbeelden zijn het schildklierhormoon, het bijnierschorshormoon en de mannelijke
en vrouwelijke geslachtshormonen. Deze hormonen beďnvloeden het aflezen van het
erfelijk materiaal, doordat ze zich in de celkern aan het erfelijk materiaal
binden.
Tijdens
de zwangerschap is er sprake van een hele speciale hormonale situatie. De
hoeveelheid hormonen in het bloed van de moeder is verhoogd, bijvoorbeeld van
het bijnierschorshormoon, het mannelijk geslachtshormoon testosteron en van de
vrouwelijke geslachtshormonen progesteron en oestrogeen. Ook het kind en de
placenta (de moederkoek) maken hormonen aan. Hierdoor blijft de zwangerschap
voortduren en wordt de bevalling voorbereid. Maar de hormonen zorgen ook dat het
kind en vooral de hersenen zich ontwikkelen. Juist tijdens de zwangerschap,
wanneer de hersenen en het lichaam van het kind worden aangelegd, zijn de
effecten van hormonen ingrijpend. Kleine variaties in de hoeveelheid
geslachtshormonen tijdens de zwangerschap kunnen langdurige gevolgen hebben.
Daarom spreken we hier van programmerende invloeden van hormonen. Een bekend
voorbeeld is de geslachtsontwikkeling van het kind, dat wil zeggen de
ontwikkeling van ofwel jongenskenmerken ofwel meisjeskenmerken. Kort na de
bevruchting heeft het kind geslachtsorganen die zowel in de mannelijke als
vrouwelijke richting kunnen doorgroeien. Alleen wanneer op een bepaald moment
door de foetus het mannelijke geslachtshormoon testosteron gemaakt wordt, komen
de mannelijke geslachtsorganen verder tot ontwikkeling en verdwijnen de
vrouwelijke geslachtsorganen. Maar het mannelijk hormoon zorgt er niet alleen
voor dat het kind mannelijke of vrouwelijke geslachtsorganen krijgt. Ook de bouw
van de hersenen wordt erdoor in een meer mannelijke of meer vrouwelijke richting
gestuurd.
Verschillen tussen jongens en meisjes
Er
is bij de mens nog maar weinig onderzoek gedaan naar deze invloeden van
hormonen. In een in Amerika uitgevoerd onderzoek is bij zwangere vrouwen tijdens
de zwangerschap bloed afgenomen. In dit bloed is de hoeveelheid mannelijk en
vrouwelijk geslachtshormoon bepaald. Dertig jaar later is bij de vrouwen die uit
deze zwangerschappen werden geboren gekeken naar hoe ze zich gedroegen, hoe ze
zich kleedden, welke gewoonten ze hadden, enzovoort. Er werd een verband
gevonden tussen hun gedrag en de hoeveelheid mannelijk geslachtshormoon in het
bloed van hun moeder tijdens de
zwangerschap, precies op het moment dat het bouwplan van de hersenen
gerealiseerd werd. Uit een Canadees onderzoek bleken jongetjes waarbij de
hoeveelheid testosteron in het navelstrengbloed bij de bevalling wat lager was,
als peutertjes sneller verlegen te reageren dan jongetjes met meer testosteron.
En meisjes met meer testosteron in het navelstrengbloed bleken beter in staat
bepaalde puzzels te maken dan meisjes met lagere hoeveelheden testosteron.
Het
is bekend dat er kleine verschillen zijn tussen jongens en meisjes in hun
prestatie op allerlei psychologische taken. Meisjes doen het als groep gemiddeld
beter op taken waar het aankomt op snelheid van waarnemen, spreekvaardigheid,
geheugen voor vormen, fijne motoriek en cijferen. Jongens komen vaak beter uit
de bus op taken die doelgerichte motorische vaardigheden meten. Ook
wiskundeopgaven worden door jongens beter gemaakt. In Nederland is gevonden dat
bij de CITO-toets jongens als groep beter scoren op rekenen en dat meisjes beter
scoren op taal. Hoewel zulke verschillen in prestaties zouden kunnen berusten op
de invloed van geslachtshormonen tijdens de zwangerschap, is het ook denkbaar
dat opvoeding een rol speelt. Misschien worden jongetjes wel veel meer
gestimuleerd zich in wiskunde en andere exacte vakken te verdiepen, en meisjes
in taal.
De invloed van hormonen tijdens de
zwangerschap op de ontwikkeling van kinderen
Vorig jaar is een groot onderzoek gestart om meer over deze hormonale invloeden tijdens de zwangerschap te weten te komen en na te gaan in hoeverre op deze manier verschillen tussen jongens en meisjes, maar ook verschillen tussen jongens onderling en meisjes onderling, verklaard kunnen worden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in samenwerking met het Nederlands Tweelingen Register van de Vrije Universiteit, en de afdelingen Kinderpsychiatrie en Gezondheidspsychologie uit Utrecht. Tweelingen van het NTR wordt gevraagd om aan het onderzoek mee te doen. Er wordt gekeken naar meisjes die deel uitmaken van een meisje-jongen tweeling. Doordat deze meisjes tijdens de zwangerschap samen met een jongetje in de baarmoeder gezeten hebben, kunnen ze met meer mannelijke geslachtshormonen in aanraking zijn gekomen dan meisjes van een meisje-meisje tweeling. In het onderzoek worden tweelingmeisjes van 9 en 10 jaar van een meisje-jongen tweeling vergeleken met tweelingmeisjes van een meisje-meisje tweeling. Om verder een onderscheid te kunnen maken tussen de invloed van opvoeding en de invloed van hormonen worden ook niet-tweelingmeisjes die een broer hebben die hooguit twee jaar ouder of jonger is, onderzocht. Het zou namelijk ook kunnen dat meisjes die gelijktijdig opgroeien met een ongeveer even oude broer zich eerder ontwikkelen in de richting van jongensachtige belangstellingen en vaardigheden. De meisjes kunnen hierbij zelf een voorbeeld nemen aan hun broer, maar ook door hun omgeving eerder in een jongensrichting geduwd worden. In het onderzoek worden reken- en taaltaken afgenomen en ook taken over het herkennen van en omgaan met emoties. Dit is een ander terrein waar jongens en meisjes doorgaans van elkaar verschillen. Bij de meisjes van 9 en 10 jaar die meedoen, worden twee jaar later de CITO-toetsgegevens opgevraagd. Dit biedt de gelegenheid om uit te zoeken of de hormonale veranderingen die plaats vinden bij het begin van de puberteit eveneens van invloed zijn op de ontwikkeling, en met name op de verschillen tussen de meisjes van de meisje-jongen tweelingen en de meisjes van de meisje-meisje tweelingen.