ERFELIJKE AANLEG EN PERSOONLIJKHEID
Persoonlijkheid wordt in het woordenboek omschreven als datgene wat een persoon karakteriseert. Iemand is bijvoorbeeld ondernemend en altijd op zoek naar nieuwe ervaringen of juist voorzichtig en meer terughoudend. Persoonlijkheid (of persoonlijkheidseigenschappen, als we het hebben over de verschillende aspecten van persoonlijkheid) bepaalt voor een belangrijk deel hoe gelukkig en succesvol iemand is. De meeste mensen beschouwen hun eigen persoonlijkheid en die van anderen als een gegeven en vragen zich zelden af waardoor verschillen in persoonlijkheid eigenlijk ontstaan. Waarom is de een al van jongs af aan verlegen en de ander niet? Waarom is de ene mens depressief en de ander helemaal nooit? Uit het tweeling- en familieonderzoek dat de afgelopen 10 jaar bij het Nederlands Tweelingen Register is gedaan, blijkt dat verschillen in persoonlijkheid gedeeltelijk een genetische oorzaak hebben. Wat betekent dit? Niet iedereen heeft hetzelfde erfelijke materiaal (met als uitzondering natuurlijk eeneiige tweelingen!). Die verschillen in erfelijke aanleg bepalen ten dele de verschillen in persoonlijkheid die we om ons heen kunnen waarnemen.
Vroeger werd vaak gedacht dat persoonlijkheid een gevolg is van datgene wat iemand in de loop van zijn leven meemaakt. Uit het tweelingenonderzoek blijkt dat dit niet het geval is: eeneiige tweelingen lijken duidelijk meer op elkaar wat betreft hun persoonlijkheid dan andere familieleden en dus speelt erfelijke aanleg al vanaf de geboorte een rol bij de persoonlijkheid die iemand ontwikkelt. Natuurlijk was dit eigenlijk al bekend bij veel ouders, zeker bij ouders met meerdere kinderen! Hoewel kinderen uit een gezin tot op grote hoogte hetzelfde worden opgevoed en dezelfde ervaringen hebben, kunnen ze toch al in de wieg erg van elkaar verschillen. Het belang van erfelijke aanleg geldt ook voor persoonlijkheidsproblemen, zoals bijvoorbeeld ernstige verlegenheid die de omgang met anderen zeer kan bemoeilijken. Iemands persoonlijkheid lijkt zeer constant te zijn. Wij zien dat heel duidelijk bij tweelingen die voor het eerst aan het onderzoek naar Gezondheid en Leefgewoonten meededen in 1991, toen ze nog tieners waren. Deze tweelingen (en hun ouders) kregen in 1991 een boekje toegestuurd met daarin een groot aantal vragen over persoonlijkheid. Er waren bijvoorbeeld vragen over extraversie, over angstigheid en depressie, over stressgevoeligheid en over spanningsbehoefte. Een flink deel van de mensen die in 1991 deze vragen beantwoordde, heeft dit in 1993, 1995 en 1997 weer gedaan. In de eerste kolom van onderstaande figuur is te zien dat de meeste mensen (namelijk 60%) die in 1991 weinig last hebben van depressieve gevoelens ook in 1997 laag scoren op de depressie-vragenlijst. Mensen die in 1991 hoog scoren (laatste kolom), scoren ook in 1997 hoog vergeleken met de mensen die in 1991 een lage of gemiddelde score hebben. Het blijkt dat hoe iemand als tiener is, vaak goed voorspelt hoe hij of zij als volwassene zal worden.